Eindelijk is dit tientallen jaren oude mysterie ontrafeld.

Het is een vraag waar onderzoekers al decennia lang over peinzen: hoe regelden dinosaurussen hun lichaamstemperatuur? Anders gezegd: waren dino’s warm-, of koudbloedig? Onderzoekers hebben nu eindelijk het antwoord op deze prangende vraag gevonden. En dat dankzij een nieuwe methode om historische temperaturen te meten.

Eierschalen
De onderzoekers analyseerden de chemische bindingen tussen zware isotopen in calciumcarbonaat: het hoofdbestanddeel van eierschalen. Dankzij deze methode kunnen wetenschappers zowel de temperatuur berekenen waarop de mineralen worden gevormd, alsmede de lichaamstemperatuur van de moeder die het ei heeft gelegd.


Dinosaurussen
De onderzoekers besloten deze methode toe te passen op gefossiliseerde eieren van drie verschillende soorten dinosaurussen, waaronder die van de Maiasaura. Langs het evolutionaire pad van reptiel naar vogel, ontdekten de onderzoekers dat de lichaamstemperatuur van dinosaurussen ergens tussen de 35 en 40 graden Celsius lag. Een interessant feitje, al gaf dit nog geen antwoord op de vraag of dino’s warm-, of koudbloedig waren. “Het klimaat tijdens het dinotijdperk was aanzienlijk warmer dan nu,” vertelt onderzoeker Hagit Affek. “Om deze reden zou het meten van alleen de lichaamstemperaturen van dinosauriërs die in de buurt van de evenaar woonden ons niet vertellen of ze warm- of koudbloedig waren. Dat komt omdat hun lichaamstemperatuur een reactie kan zijn geweest op de hete klimaten waarin ze leefden.”

Wat houdt warm- en koudbloedig in?
Warmbloedige dieren produceren hun lichaamswarmte zelf en zijn voor hun lichaamswarmte dus niet afhankelijk van de temperatuur van hun omgeving. Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen en andere zoogdieren. De koudbloedige dieren zijn voor hun lichaamstemperatuur afhankelijk van de temperatuur van hun omgeving. Wanneer een hagedis bijvoorbeeld zijn lichaamstemperatuur wil verhogen, neemt hij plaats in de zon om op te warmen.

Weekdieren
Om die reden besloten de onderzoekers om dinosaurussen die noordelijker voorkwamen te bestuderen, zoals dino’s die in de provincie Alberta in Canada leefden. Op die manier konden de onderzoekers achterhalen of hun warme lichaamstemperatuur het resultaat was van een intern proces in plaats van dat dit het hete klimaat om hen heen weerspiegelde, zoals bij dinosaurussen die op de evenaar woonden. Het onderzoeksteam bepaalde allereerst de precieze omgevingstemperatuur in Alberta in de tijd dat dinosaurussen nog door de provincie struinden. Dit deden ze door de schelpen van weekdieren uit die tijd te bestuderen. Weekdieren zijn koudbloedig, wat inhoudt dat ze het destijdse klimaat goed weerspiegelen. Uit dit onderzoek blijkt dat de lichaamstemperatuur van de weekdieren rond de 26 graden Celsius lag. En dat lost het aloude mysterie op.

De resultaten wijzen erop dat dinosaurussen warmbloedig geweest moeten zijn. Anders hadden ze niet hun hoge lichaamstemperatuur van 35 – 40 graden Celsius kunnen handhaven. Het betekent dat dino’s langzaam maar zeker hun hagedisachtige kenmerken (koudbloedig) inruilden voor vogelachtige kenmerken (warmbloedig). “Deze transformatie vond waarschijnlijk al heel vroeg in de evolutie van de dinosaurus plaats,” betoogt Affek. “Dankzij de Maiasaura-eieren kwamen we erachter dat deze dino’s al in staat waren om hun eigen lichaamstemperatuur te regelen, net als hun warmbloedige, vogelachtige neven; de Troodon.” Waarom dieren überhaupt warmbloedig werden, is een andere vraag waar onderzoekers maar niet over uitgepraat raken. Koudbloedige dieren spenderen namelijk 30 keer minder energie dan warmbloedige dieren van dezelfde grootte. Het betekent dat koudbloedige dieren het op het eerste gezicht dus veel makkelijker hebben. Maar mogelijk hebben ziekteverwekkers ermee te maken.