Driedimensionale modellen van steden zijn erg in trek. Toch kost het veel geld en tijd om een model te vervaardigen. Shi Pu en Sander Oude Elberink van de Universiteit Twente ontwikkelden beide een methode om de ontwikkeling grotendeels te automatiseren. Ze gebruikten hiervoor topografische informatie uit het kadaster en lasermeetgegevens.

Van tweedimensionale kaarten van steden – zoals te zien is in Google Maps – zijn er genoeg. Op deze kaarten is te zien waar gebouwen en wegen zich bevinden. Op driedimensionale kaarten is te zien hoe een gebied er exact uitziet. Het geeft meer inzicht in stedelijke ontwikkelingen. Zo zijn 3D-stadsmodellen handig voor architecten, die willen kijken of hun ontwerp in een wijk past. Daarnaast zijn modellen te gebruiken voor een virtuele tocht door een stad.

Gegevens van 3D-stadsmodellen moeten nu nog handmatig worden ingevoerd. Maar niet lang meer. De computer neemt het grootste deel van het werk over.

Shi Pu maakte in zijn onderzoek gebruik van terrestrische laserscanners. Dit zijn apparaten die vanaf de grond laserstralen projecteren op een gebouw en hier opnamen van maken. Met deze methode is het mogelijk om op een gedetailleerde manier objecten te reconstrueren. Om de computer te leren om gebouwen of delen ervan te herkennen, legde Pu eerst een kennisbank aan met daarin de belangrijkste gebouwkenmerken, zoals deuren, muren en erkers. De computer vergelijkt de meetgegevens met de bekende gebouwkenmerken en probeert zo te duiden wat wat is.

Vervolgens combineerde Pu deze informatie met tweedimensionale topografische informatie uit het kadaster, om er voor te zorgen dat er driedimensionale modellen ontstaan. Met de methode van Pu is het nog steeds nodig om handmatig enkele gebouwkenmerken te duiden, maar zijn methode is meer dan tien keer zo snel als de traditionele aanpak. Daar komt nog bij dat de methode steeds sneller wordt, want de kennisbank leert met elk handmatige aanpassing weer bij.

Ook Sander Oude Elberink maakte in zijn onderzoek gebruik van laserdata en tweedimensionale topografische informatie uit het kadaster. Zijn laserdata kwamen echter niet van de grond, maar van bovenaf. De laserscanner werd vanuit het vliegtuig ingezet. Een van de uitdagingen binnen het onderzoek van Oude Elberink was de kaarten ook kloppend te krijgen voor gebieden waarop je geen zicht hebt van bovenaf. Denk hier bijvoorbeeld aan verschillende wegen die over elkaar heen lopen.

De methode van Oude Elberink is het meest nauwkeurig voor beelden van bovenaf, terwijl de methode van Pu juist nauwkeuriger is voor beelden vanaf straatniveau. Gelukkig zijn de modellen van de twee onderzoekers eenvoudig te combineren waarbij nog nauwkeurigere modellen ontstaan.