Tot die conclusie komen wetenschappers nu ze voor het eerst fossiel bewijs hebben gevonden dat er lang geleden in Noord-Amerika apen leefden.

De onderzoekers ontdekten de fossiele resten tijdens onderzoek naar 21 miljoen jaar oude gesteenten. Deze gesteenten ontstonden in de tijd dat Panama het zuidelijke puntje van Noord-Amerika vormde en door een smal water van Zuid-Amerika gescheiden werd. Alle fossiele resten die eerder in deze gesteenten waren aangetroffen leken sterk op de fossiele resten die onderzoekers in Texas, Florida en Mexico aantroffen. Maar de fossiele resten waar wetenschappers nu op stuitten, waren anders. Na ongeveer een week geprobeerd te hebben om de tanden te identificeren, kwam één van de wetenschappers met een ietwat gek idee. Zouden de tanden niet afkomstig kunnen zijn van een uitgestorven Zuid-Amerikaanse aap?

Aap
Nader onderzoek toont aan dat die onderzoeker het bij het juiste eind had. De fossiele resten – tanden – waren inderdaad afkomstig van een aap: de nieuwe soort Panamacebus transitus. Een bijzondere vondst. Het is voor het eerst dat fossiele resten van een aap in Noord-Amerika worden aangetroffen. Daarnaast bewijst de vondst dat zoogdieren al veel eerder dan gedacht van Zuid- naar Noord-Amerika reisden. Eerder werd gedacht dat luiaarden negen miljoen jaar geleden als eersten de trip maakten, maar nu blijkt dat dat zeker 21 miljoen jaar geleden al gebeurde. “Een aap van deze leeftijd ontdekken in Centraal-Amerika, op het meest zuidelijke puntje van Noord-Amerika is in zekere zin vergelijkbaar met het vinden van Homo erectus, een uitgestorven voorouder van de mens die enkel bekend is van Afrika en Azië, in Australië,” legt onderzoeker Jonathan Bloch uit.

Vlot
Pas zo’n 3,5 miljoen jaar geleden werd Noord-Amerika middels een landbrug met Zuid-Amerika verbonden. Dus hoe wist deze aap van Zuid- naar Noord-Amerika te reizen? Waarschijnlijk per ‘vlot’, zo stellen de onderzoekers. Bij dat vlot moet je je niet veel meer voorstellen dan een flinke verzameling vegetatie die blijft drijven. Op die vegetatie zou de aap het 160 kilometer brede water tussen Zuid- en Noord-Amerika zijn overgestoken.

Na die vaartocht arriveerde de aap in wat nu Panama is. Waarschijnlijk reisde de aap niet veel noordelijker. Dat is ook wel te verklaren. In de tijd van de aap leken de bossen op het zuidelijke puntje van Noord-Amerika sterk op die in Zuid-Amerika. In dat leefgebied kon de aap goed uit de voeten. Noordelijker werd het een ander verhaal, daar werd de vegetatie en dus voedselvoorziening anders. “Deze apen waren aangepast aan het Zuid-Amerikaanse bos,” vertelt onderzoeker Aaron Wood. “En dus stopten ze waar de Zuid-Amerikaanse bossen stopten.”