Alles wordt van stal gehaald om de coronacrisis te bestrijden, maar ons klimaat moet het met vage beloftes en lege frasen doen.

De coronacrisis heeft ertoe geleid dat regeringen over de hele wereld vergaande maatregelen moesten nemen. Mensen werden verplicht binnen te blijven, horeca werden gesloten en de 1,5 meter-afstandsmaatschappij werd ingeluid. Toch lijkt het erop dat we een andere kritische crisis links laten liggen. Want als het om de klimaatcrisis gaat, zijn landen vaak helemaal niet bereid om deze met dezelfde ambitie te bestrijden.

Ozonlaag
Zoals de huidige pandemie laat zien, is het voor landen zeker mogelijk om het roer volledig om te gooien en er alles aan te doen om een crisis het hoofd te bieden. Hetzelfde zagen we bovendien gebeuren toen ‘het gat in de ozonlaag’ boven Antarctica werd ontdekt. Het leidde ertoe dat op 16 september 1987 het Montreal Protocol on Substances that Deplete the Ozone Layer (kortweg Montreal Protocol) werd ondertekend door de EU en 196 staten afkomstig uit alle hoeken van de wereld. Dat er iets moest gebeuren, was duidelijk. De ozonlaag was sinds de jaren zeventig elke lente dunner dan de lente ervoor. En de mens was de boosdoener: wij pompten stoffen in de lucht die ozon afbreken. Denk daarbij aan emissies van chemicaliën uit aërosolen, koelmiddelen, pesticiden en oplosmiddelen. Overheden beloofden daarom met hun handtekening dat ze de productie van stoffen die de ozonlaag aantasten – zoals cfk’s – zouden terugschroeven.


Geslaagd
Dit protocol werpt zichtbaar zijn vruchten af. Onderzoek wijst namelijk uit dat het gat zich sinds het begin van deze eeuw langzaam begon te stabiliseren en kromp. Zo is het tussen september 2000 en september 2015 meer dan 4,4 miljoen vierkante kilometer kleiner geworden. Het betekent dat als overheden zich ergens echt toe zetten, ze wel degelijk in staat zijn om het tij te keren. En dat maakt sommige wetenschappers ook een beetje grimmig. Want waarom zetten we nu niet alles op alles om ook de klimaatcrisis aan te pakken?

Parijse klimaatakkoord
Een vergelijkbaar akkoord als het Montreal Protocol werd er in 2015 in de Franse hoofdstad ondertekend. In het Parijse klimaatakkoord spraken maar liefst 186 landen die samen goed zijn voor 96,5 procent van de wereldwijde uitstoot af dat de opwarming van de aarde in 2100 niet boven de 2 graden Celsius uit zou komen. Sterker nog: ze zouden ernaar streven om de opwarming tot 1,5 graad Celsius te beperken. Maar daar lijkt tot nu toe nog niet veel van terecht te komen. Bijna 75% van de 184 toezeggingen in het akkoord schieten bovendien zodanig tekort dat ze klimaatverandering niet eens kunnen afremmen. Het betekent dat de beloftes te kort schieten. En zoals uit eerder onderzoek bleek, lijken met name loze toezeggingen de Parijse klimaatdoelen onhaalbaar te maken. Landen zeggen het één, maar doen het ander. En dat leidt ertoe dat we nu afstevenen op een opwarming van drie tot vier graden Celsius tegen het einde van de eeuw. En meer is zelfs niet uitgesloten.

Klimaathypocrisie
Hieruit blijkt dat landen weinig lijken te doen om de doelstellingen uit het Parijse klimaatakkoord te halen. “De huidige wereldwijde toezeggingen om klimaatverandering aan te pakken, zijn het equivalent van het voornemen om de ozonlaag te herstellen zonder een plan voor het elimineren van de ozonafbrekende stoffen, of het voornemen om de coronacrisis te beëindigen zonder een plan om de verspreiding van het virus te verminderen,” zeggen de onderzoekers. Volgens de wetenschappers maken landen zich schuldig aan zogenaamde ‘klimaathypocrisie’. “Regeringen geven publiekelijk aan het klimaatakkoord van Parijs te steunen, maar tegelijkertijd worden er nieuwe kolenmijnen geopend, wordt de fossiele brandstofindustrie gesubsidieerd, bossen gekapt, en ander schadelijk beleid gevoerd,” legt onderzoeker Mark Baldwin de term uit. “Dit diepgewortelde energiebeleid moedigt nog steeds de winning, transport en verkoop van fossiele brandstoffen aan met als doel een goedkope, overvloedige en gestage aanvoer van fossiel energie in de toekomst te verzekeren.”


Luchtvervuiling
Het terugdringen van onze uitstoot is niet alleen goed voor het klimaat, ook voor onze gezondheid. De uitstoot van fossiele brandstoffen zorgen namelijk voor de ophoping van roet en fijnstof in de lucht. En luchtvervuiling zorgt er nog altijd voor dat miljarden mensen ziek worden en vroegtijdig sterven. De wereldwijde levensverwachting wordt zelfs door de voortdurende vervuiling met bijna twee jaar verkort. Luchtvervuiling wordt dan ook door wetenschappers aangemerkt als het grootste gevaar voor de volksgezondheid.

En dat moet volgens de onderzoekers veranderen. “De fundamentele reden waarom we de klimaatcrisis niet oplossen, is niet een gebrek aan groene energieoplossingen,” zegt onderzoeker Tim Lenton. “Het is dat veel regeringen nog steeds prioriteit geven aan fossiele brandstoffen.” En dat terwijl we weten dat de klimaatcrisis voornamelijk wordt veroorzaakt door fossiele brandstoffen. “Het huidige klimaat- en energiebeleid is daarom onzinnig, omdat het de uitstoot van broeikasgassen veroordeelt maar tegelijkertijd de productie van fossiele brandstoffen bevordert,” aldus Baldwin. Al moeten we niet alle landen over één kam scheren. “Sommige regeringen voeren beleid om de vraag naar fossiele brandstoffen te verminderen en over te schakelen op groene energiebronnen,” geeft ook Lenton toe. “Maar dit beleid is helaas niet voldoende.”

Maatregelen
Zoals de aantasting van de ozonlaag en de huidige pandemie laten zien, ligt het gelukkig niet aan een onvermogen. De onderzoekers roepen dan ook op om ook maatregelen te nemen tegen de klimaatcrisis. “Individuele gedragskeuzes zijn belangrijk, maar fundamenteler is het vervangen van de levering van fossiele brandstoffen door groene energie,” onderstreept Lenton. Het team pleit voor een ‘alomvattend globaal plan’ om de klimaatcrisis op te lossen. En in hun studie, gepubliceerd in het vakblad Global Sustainability, geven ze hiervoor zeven aanbevelingen:

1) Er moet een einde worden gemaakt aan alle overheidssubsidies aan de fossiele brandstofindustrie;
2) Exploratie naar nieuwe olie- gas- en steenkoolreserves waar ook ter wereld moet verboden worden;
3) Er mag geen overheidsgeld meer worden besteed aan infrastructuur voor fossiele brandstoffen;
4) Het rechtvaardigen van het gebruik van fossiele brandstoffen door compensatieregelingen toe te passen moet stoppen;
5) Subsidies voor fossiele brandstoffen moeten omgezet worden in gerichte programma’s om de overgang naar een groene energie-economie mogelijk te maken;
6) De afhankelijkheid van toekomstige technologieën om CO2 uit de atmosfeer te halen moet worden geminimaliseerd. Hoewel er zeker onderzoek naar de ontwikkelingen mogelijke inzet gedaan moet worden, kunnen we er niet vanuit gaan dat deze technologieën een einde maken aan de algehele klimaatcrisis;
7) Handelsovereenkomsten: we zouden geen producten meer uit landen moeten kopen die regenwouden vernietigen om goedkopere, grotere hoeveelheden vlees en landbouwproducten voor de export te produceren.

Als we deze voorzorgsmaatregelen treffen, kunnen we mogelijk de ernstigste gevolgen van klimaatverandering nog afwenden. Maar daarvoor moeten regeringen wel in actie komen. “Om echte verandering teweeg te brengen moeten we complexe kwesties aanpakken,” concludeert Baldwin. “Denk aan kwesties die betrekking hebben op de politiek, nepnieuws, menselijk gedrag, overheidssubsidies, belastingen, internationale handelsovereenkomsten, mensenrechten, en gelobby door de fossiele brandstofindustrie en desinformatiecampagnes.” Het klinkt misschien allemaal wat somber, maar er is zeker licht aan het einde van de tunnel. De oplossing ligt er. Maar grijpen we die ook aan?