Vaak zijn er bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen maar twee ‘serieuze kandidaten’, namelijk de kandidaten van de Democraten en de Republikeinen. Maar wat als er nog een derde ‘serieuze kandidaat’ is?

Gemiddeld eens in de ongeveer vijf verkiezingen is er een ‘serieuze’ derde kandidaat; soms tot ongenoegen van de ene grote partij, soms tot ongenoegen van de andere, soms tot ongenoegen van beide. Tijd om eens terug in de geschiedenis te gaan en een aantal van die bijzondere verkiezingen onder de loep te nemen.

De meeste stemmen
Wanneer word je president van de Verenigde Staten? Als je de meeste stemmen binnen weet te halen, zou je denken. Maar dat is niet altijd het geval. Het is vier keer voorgekomen dat de presidentskandidaat met de meeste kiezersstemmen geen president van de Verenigde Staten is geworden, namelijk in 1824, 1876, 1888 en in 2000. Lees er hier alles over.

1892: Cleveland verslaat Harrison en Weaver
In 1892 nam de Democraat Grover Cleveland het op tegen de zittende Republikeinse president Benjamin Harrison. De twee hadden elkaar vier jaar eerder ook al eens bestreden; toen was Cleveland de zittende president, en Harrison won (zij het met minder ‘popular votes’ dan Cleveland (zie kader).
In 1892 pleitten de Democraten voor verlaging van de invoertarieven en voor een geldstelsel dat gebaseerd was op goud. De Republikeinen, daarentegen, wilden de Amerikaanse industrie beschermen met hoge invoerrechten, en wilden een geldstelsel dat gebaseerd was op zowel goud als zilver. De twee traditionele partijen kregen concurrentie van de nieuwe Populistische Partij (onder leiding van James Weaver), voortgekomen uit vakbonden, boerenorganisaties en zilversmeden in het ‘wilde’ westen. De nieuwe partij wilde, net als de Republikeinen, een geldstelsel met een vaste prijsverhouding tussen goud en zilver. De presidentskandidaten voerden erg weinig campagne gedurende de maanden voorafgaand aan de verkiezingen, mede uit respect voor presidentsvrouw Caroline Scott Harrison, die aan tuberculose leed en uiteindelijk twee weken voor de verkiezingsdatum overleed. Het campagnewerk kwam daardoor vooral op de schouders van de ‘running mates’. De economische situatie was niet al te goed in 1892, en dat werkte – zoals gewoonlijk – in het nadeel van de regeringspartij, in dit geval de Republikeinen. Cleveland won de verkiezingen, mede door de winst van Populistische kandidaat Weaver in enkele staten in het ‘wilde’ westen, die bekend stonden als Republikeinse bolwerken. De Democraten hadden niet de moeite genomen om in die staten campagne te voeren, en Clevelands naam stond daar meestal niet eens op het stembiljet. Maar zelfs als de Republikeinen die staten hadden gewonnen, dan zouden ze nog de verkiezingen verloren hebben. Cleveland was de enige president die twee niet-aansluitende termijnen heeft gediend; hij was zowel de 22ste (1885-1889) als de 24ste (1893-1897) president.

Van links naar rechts: Cleveland, Weaver en Harrison.

Van links naar rechts: Cleveland, Weaver en Harrison.

1912: Wilson verslaat president Taft en Roosevelt
De verkiezingen van 1912 vormen een interessante uitzondering op het traditionele tweepartijensysteem. Ze werden overheerst door het feit dat de vroegere Republikeinse president Theodore Roosevelt (1858-1919, president 1900-1908) zich kandideerde als een ‘onafhankelijke’ kandidaat. Theodore Roosevelt was een charismatische persoonlijkheid, en één van de vier ‘grote’ presidenten die omstreeks 1935 werden vereeuwigd in het beroemde monument van Mount Rushmore. In het verkiezingsjaar 1900 was hij de ‘running mate’ van de Republikeinse president William McKinley, en behaalde een grote overwinning. Toen McKinley op 14 september 1901 werd vermoord, volgde Roosevelt hem op. Hij was toen 42 jaar oud, en er is tot op heden nog nooit een jongere president geweest. Hij werd in 1904 met grote meerderheid rechtsreeks gekozen als president. In de binnenlandse politiek maakte Roosevelt zich populair met zijn “Square Deal” programma, dat bestond uit een betere nationale regulering van de spoorwegen, het bestrijden van kartels en monopolies in het bedrijfsleven en consumentenbescherming tegen zaken als ondeugdelijke medicijnen en voeding. Bovendien boekte Roosevelt een groot internationaal succes; hij slaagde er namelijk in – met veel dollars en veel diplomatie – om voor zijn land een stuk grondgebied in Panama te bemachtigen, waarop het Panamakanaal kon worden aangelegd. (In 1914 werd dat kanaal voltooid en geopend voor het internationale scheepvaartverkeer.) In 1906 boekte Roosevelt succes met een Amerikaanse militaire interventie in Cuba, waardoor dat eiland niet kon ontsnappen uit de Amerikaanse invloedsfeer. Aan het eind van zijn tweede termijn schoof Roosevelt zijn politieke vriend Taft naar voren als de nieuwe president, en ook die boekte, in november 1908, een grote overwinning. Taft miste het charisma van Roosevelt, en grappenmakers vertelden dat ‘T.A.F.T.’ stond voor ‘Take Advice from Theodore‘!

Mount Rushmore laat vier 'grote' presidenten zien: Washington, Jefferson, Roosevelt en Lincoln.

Mount Rushmore laat vier ‘grote’ presidenten zien: Washington, Jefferson, Roosevelt en Lincoln.

Vanaf 1910 begon Roosevelt zich steeds meer van Taft te distantiëren, omdat die een te conservatief beleid zou voeren. In de eerste helft van het verkiezingsjaar 1912 probeerde Roosevelt opnieuw presidentskandidaat voor de Republikeinen te worden, met Taft als zijn belangrijkste rivaal. Uiteindelijk kreeg Roosevelt de meeste publieke steun, maar Taft verkreeg de nominatie. Vervolgens richtte Roosevelt een nieuwe partij op, de Progressieve Partij, met beleidspunten als invoering van vrouwenkiesrecht en een sociale welvaartstaat, en met Roosevelt als presidentskandidaat. Roosevelt moet heel goed geweten hebben dat hij kansloos zou verliezen, als hij er niet in zou slagen een groot aantal stemmen te winnen van traditionele Democratische kiezers. Misschien hoopte Roosevelt dat de Democraten wederom de ‘eeuwige verliezer’ William Jennings Bryan zouden nomineren, die grote nederlagen had geleden in de presidentsverkiezingen van 1896, 1900 en 1908. Maar het Democratische congres koos voor de onomstreden Woodrow Wilson, gouverneur van New Jersey. Wilson haalde op de verkiezingsdag, 5 november 1912, 435 van de 531 kiesmanstemmen, met slechts 41,8% van de ‘popular votes’ – minder dan zijn bovengenoemde partijgenoot Bryan in al zijn drie vergeefse pogingen. Als de Republikeinse partij niet gesplitst was, zouden de Democraten waarschijnlijk een grote nederlaag hebben moeten incasseren.

1924: President Coolidge houdt gemakkelijk stand tegen twee uitdagers
De verkiezingen van 1924 vielen in de bizarre periode van het complete alcoholverbod, ofwel de Drooglegging (c. 1920 tot c.1933, maar de periode verschilde van staat tot staat). Verder staan die jaren bekend om de steeds korter wordende vrouwenrokken, de grootscheepse Amerikaanse – en internationale – demilitarisering en het Amerikaanse ‘isolationisme’ in de buitenlandse betrekkingen. En het was een periode van grote economische bloei (tot aan de beurskrach in oktober 1929, maar dat kon in 1924 nog niemand weten).
In 1920 hadden de Republikeinen één van hun grootste verkiezingsoverwinningen aller tijden behaald, niet alleen voor hun presidentskandidaat Warren Harding, maar ook voor de verkiezingen van beide huizen van het Congres. Harding overleed door een hersenbloeding op 2 augustus 1923, en werd diezelfde dag opgevolgd door vicepresident Calvin Coolidge. Toen bleek dat enkele medewerkers van Harding zich schuldig hadden gemaakt aan corruptie, zorgde Coolidge er voor dat die medewerkers vervolgd werden. Dat was een slimme zet van Coolidge, want politieke tegenstanders konden vervolgens weinig politieke winst behalen door die corruptiepraktijken.

Van links naar rechts: Coolidge, Davis en Lafolette.

Van links naar rechts: Coolidge, Davis en Lafolette.

De verkiezingen van 1924 telden drie ‘serieuze’ kandidaten: de zittende Republikeinse president Coolidge, de Democraat John W. Davis en de progressieve kandidaat Robert M. Lafolette. Laatstgenoemde was de genomineerde van de pas opgerichte Progressieve Partij – niet te verwarren met de gelijknamige partij die in 1912 was opgericht – want beide grote partijen waren behoorlijk conservatief geworden.
Economisch ging het voor de wind, en dat werkte ongetwijfeld in het voordeel van Coolidge, die 54,0% van de stemmen kreeg, een zeer hoog percentage tegen twee “serieuze” tegenstanders. In 1924 gold voor de meeste Amerikaanse kiezers de slagzin “keeping cool with Cooldige”! De Progressieve Partij eindigde als tweede partij in veel westelijke staten na de Republikeinen, maar de Progressieve kandidaat Lafolette won alleen de kiesmanstemmen van zijn thuisstaat Wisconsin, waarvoor hij enkele jaren eerder als Republikeinse senator was gekozen. De Democraten behaalden al hun kiesmanstemmen in hun bolwerken in de voormalige slavenstaten in het zuidoosten, waar zij nog altijd de vertegenwoordigers van de blanke suprematie waren.

Harry S. Truman. In de geschiedenisboeken heeft hij vooral naam gekregen als verantwoordelijke voor de atoombommen op Japan in augustus 1945.

Harry S. Truman. In de geschiedenisboeken heeft hij vooral naam gekregen als verantwoordelijke voor de atoombommen op Japan in augustus 1945.

1948: President Truman behaalt een verrassende overwinning tegen drie tegenstanders
De verkiezingen van 1948 waren buitengewoon spectaculair; uiteindelijk won de zittende president Democratische Harry S. Truman tegen drie ‘serieuze’ tegenstanders, terwijl de opiniepeilers overtuigd waren dat de Republikein Thomas E. Dewey gemakkelijk zou winnen. Truman was in het begin van 1945, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vicepresident geweest onder Franklin D. Roosevelt, maar die overleed op 12 april van dat jaar door een hersenbloeding. Truman volgde hem op, maar was niet goed voorbereid op zijn taak, omdat Roosevelt hem buiten alle belangrijke beslissingen had gehouden. Truman had het niet gemakkelijk gedurende zijn presidentschap. Zo werd de Tweede Wereldoorlog, in 1945, weliswaar gewonnen door VS en hun bondgenoten, maar er begon een nieuwe ‘koude’ oorlog tegen de Sovjet-Unie. Bovendien was Truman niet erg populair bij veel prominenten binnen zijn eigen Democratische Partij. In het voorjaar van het verkiezingsjaar 1948 wist Truman dan ook niet zeker of zijn eigen partij hem opnieuw zou nomineren. In het begin van 1948 lonkten beide grote partijen naar oorlogsheld en vijfsterrengeneraal Dwight Eisenhower, als kandidaat voor het presidentschap. Maar Eisenhower was niet geïnteresseerd, waarna de Democraten toch maar Truman nomineerden. (Eisenhower zou in 1952 de Republikeinse presidentskandidaat worden, en zou vervolgens acht jaar president zijn.) De Republikeinen nomineerden Thomas E. Dewey, die ook al hun presidentskandidaat was geweest in 1944.
De Democratische Partij raakte verdeeld door afsplitsingen aan zowel ‘links’ als ‘rechts’. De ‘linkse’ voormalige Democraat Henry Wallace – die Truman’s voorganger was geweest als vicepresident – richtte met gelijkgezinden een Progressieve Partij op, met Wallace als presidentskandidaat. De Progressieven pleitten voor een akkoord met de Sovjet-Unie, en vonden dat Truman en Dewey te hard waren voor dat land.
Verrassend: Truman wint
Achteraf gezien, zijn er wel verklaringen te vinden voor de verkiezingsuitslag – verklaringen die de tijdgenoten niet konden “zien”. Zo verloor Truman weliswaar enkele zuidelijke staten aan de “racistische” Dixiecrats, maar tegelijkertijd zorgden de Dixiecrats ervoor, dat Truman extra populair werd onder de zwarte kiezers in het noorden, waardoor hij in sommige noordelijke staten met kleine meerderheden Dewey kon verslaan. Ook de opkomst van de “superlinkse” Wallace was minder schadelijk voor Truman dan algemeen werd verwacht. Weliswaar verloor Truman een aantal “linkse” stemmen aan Wallace, waardoor Dewey met minder dan de helft van de stemmen kon winnen in enkele staten, waaronder New York met 47 van de 531 kiesmannen; maar tegelijkertijd betekende de opkomst van Wallace ook, dat veel traditionele Democratische kiezers Truman niet langer beschouwden als een “cryptocommunist”, waardoor ze niet thuisbleven, of overliepen naar Dewey of Thurmond.

In de voormalige slavenstaten in het zuidoosten waren veel ‘rechtse’ Democraten ontevreden over Truman’s beleid betreffende rechten voor negers, zoals de integratie van negers in het leger, de marine en de luchtmacht. Deze ontevreden Democraten werden ‘Dixiecrats’ genoemd en nomineerden J. Strom Thurmond als presidentskandidaat. De Dixiecrats wisten dat ze geen meerderheid in het kiescollege zouden halen, maar ze hoopten op kiesmanstemmen in enkele zuidelijke staten, terwijl geen van de twee grote partijen een meerderheid zou halen in het kiescollege. Vervolgens zouden de Dixiecrats een interessante onderhandelingspositie kunnen hebben in het Huis van Afgevaardigden, omdat dat Huis dan zou moeten kiezen tussen de drie kandidaten met de meeste kiesmanstemmen.
De opiniepeilers voorspelden maandenlang een grote overwinning voor de Republikein Dewey, en de meeste kranten namen die voorspelling over. De verkiezingsuitslag werd echter een verrassende overwinning voor Truman, die 303 kiesmannen kreeg, tegen 189 voor Dewey en 39 voor Thurmond, en geen kiesmannen voor Wallace. In een beroemde foto van Truman, genomen op de dag na de verkiezingen, houdt hij lachend een krant vast met de onjuiste kop “Dewey defeats Truman”! Grote verliezers waren de opiniepeilers, waarvan velen een ‘zelfonderzoek’ aankondigden (zie kader).

Van links naar rechts: Dewey, Wallace en Thurmond.

Van links naar rechts: Dewey, Wallace en Thurmond.

Carter versus Reagan versus Anderson
In 1980 waren er weer drie serieuze kandidaten. De zittende president Jimmy Carter wist met veel moeite zijn partij (de Democraten) zover te krijgen dat deze hem als presidentskandidaat nomineerde. Hij nam het op tegen de Republikein Ronald Reagan en ex-Republikein John Anderson. Carter werd in eerste instantie gezien als een slapjanus en Reagan als een blunderaar (zo verklaarde hij dat de luchtvervuiling door bomen in plaats van auto’s werd veroorzaakt). Anderson deed het goed in de media en de opiniepeilingen. In augustus en begin september deed Anderson het zo goed in de opiniepeilingen – soms bijna 30 procent – dat hij, samen met Carter en Reagan, werd uitgenodigd voor een televisiedebat. Aangezien Carter alleen met Reagan wenste te debatteren, werd er op 21 september een debat uitgezonden tussen Anderson en Reagan. Anderson oogde goed, maar Reagan ook. Na het TV-debat schoot Reagan omhoog in de opiniepeilingen, ten koste van Anderson. Uiteindelijk won Reagan – eerder actief als B-acteur in western-films – de verkiezingen.

1968: Republikein Nixon verslaat Democraat Humphrey en “stoorzender” Wallace
De zittende Democratische President Lyndon B. Johnson besloot zich niet opnieuw verkiesbaar te stellen. Robert F. Kennedy – de jongere broer van de in 1963 vermoorde president – had wel oren naar het presidentsschap en was op jacht naar de nominatie tot presidentskandidaat. Maar op 6 juni 1968 wordt ook hij vermoord. Na de moord op Robert Kennedy waren er nog twee belangrijke kandidaten voor de Democratische nominatie over: vicepresident Hubert Humphrey en senator Eugene McCarthy. Laatstgenoemde was al in de herfst van 1967 gestart met een duidelijke campagne voor het stoppen van de Vietnam-oorlog, terwijl Humphrey, als vicepresident, deel uitmaakte van een regering die Zuid-Vietnam actief steunde in de strijd tegen het communistische Noord-Vietnam. Toen Humphrey zich begon te distantiëren van zijn “eigen” Vietnam-beleid, begon zijn populariteit te stijgen. Hij wist op 28 augustus 1968 de Democratische nominatie te bemachtigen, ten koste van McCarthy. Volgens een ongeschreven regel behoorde verliezer McCarthy zich nu openlijk achter Humphrey te scharen, maar dat deed McCarthy pas enkele maanden later, kort voor de verkiezingsdatum van 5 november 1968.
De Republikeinen nomineerden de conservatief Richard Nixon, alom bekend als vicepresident van 1953 tot 1961, maar ook als verliezer van drie verkiezingen: in 1960 was hij verslagen in de presidentsverkiezingen, in 1962 was hij verslagen in de verkiezingen om het gouverneurschap van Californië, en in 1964 had hij openlijk campagne gevoerd voor zijn politieke vriend en presidentskandidaat Barry Goldwater, die met grote cijfers door Lyndon Johnson werd verslagen. Het was een opmerkelijke comeback van Nixon, die uiteindelijk de verkiezingen van 1968 zou winnen.
Zowel Democraten als Republikeinen beloofden “vrede in Vietnam” en een einde aan de hoge inflatie, maar de Republikeinen hadden het wat gemakkelijker, om de simpele reden dat ze op dat moment in de oppositie zaten.

George Wallace

George Wallace

Tot ongenoegen van zowel Democraten als Republikeinen was er nog een derde “serieuze” kandidaat: George Wallace, een conservatief uit het zuiden, die de “segregatie” tussen blank en zwart – op scholen, in het openbaar vervoer, enzovoort – wilde voortzetten. Wallace deed het niet alleen goed in de opiniepeilingen in zijn basis in het zuiden, maar ook in het noordoosten en westen was hij een aantrekkelijk alternatief voor vele kiezers, zoals laaggeschoolde arbeiders en laaggeschoolde huisvrouwen. Vrijwel niemand verwachtte dat Wallace een absolute meerderheid in het kiescollege zou halen, maar hij zou genoeg kiesmanstemmen kunnen winnen om zowel Humphrey als Nixon een meerderheid te onthouden. In dat geval zou het Huis van Afgevaardigden moeten kiezen tussen de drie kandidaten, en dan zou Wallace wel eens een sterke onderhandelingspositie kunnen hebben.
Uiteindelijk werden de verkiezingen gewonnen door Nixon, die met 43,4% van de stemmen 301 van de 538 kiesmannen kreeg. Uiteraard was Humphrey teleurgesteld – met 42,7% van de stemmen en 191 kiesmannen – maar zijn Democratische Partij behield de meerderheden in zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden. Wallace kreeg 13,5% van de stemmen en 46 kiesmannen – al die kiesmannen kwamen uit zijn zuidelijke basis. Wallace kreeg niet de invloed die hij had gehoopt, en zijn beweging verdween korte tijd later.

George H. W. Bush

George H. W. Bush

1992: Democraat Clinton verslaat de Republikeinse president George Bush en onafhankelijke Perot
In het verkiezingsjaar 1992 had de zittende Republikeinse president George Bush te kampen met een tegenvallende economie – iets waar kiezers vaak een zittende regering de schuld van geven. Vier jaar eerder, in 1988, had hij de verkiezingen gewonnen mede door zijn motto “Lees mijn lippen. Geen nieuwe belastingen”, maar de Democratische meerderheid in het Congres had hem gedwongen akkoord te gaan met enkele belastingverhogingen. Verder wilde Bush graag geprezen worden om zijn internationale ervaringen, maar veel meer dan het winnen van de Eerste Golfoorlog (1990-1991) had hij niet gepresteerd tijdens zijn ambtstermijn. De Sovjet-Unie had weliswaar opgehouden te bestaan in dezelfde periode, maar dat was niet een verdienste van Bush geweest. Bush en zijn vicepresident Dan Quayle wisten wel zonder veel problemen opnieuw de Republikeinse nominatie te bemachtigen.
De nominatiestrijd bij de Democraten was heel wat spannender. Opmerkelijk was dat het landelijke boegbeeld van de partij, Mario Cuomo uit New York, geen kandidaat was, omdat de zittende president Bush “onverslaanbaar” zou zijn vanwege zijn succes in de Eerste Golfoorlog! De nominatie werd uiteindelijk gewonnen door Bill Clinton, gouverneur van Arkansas, en landelijk nog maar nauwelijks bekend. De Democratische ‘running mate’ werd Al Gore, senator van Tennessee, een buurstaat van Arkansas; een opmerkelijke keuze, want traditioneel behoorden president en vicepresident uit verschillende delen van het land te komen.
De Texaanse industrieel en multimiljonair Ross Perot was de derde belangrijke kandidaat in 1992. In juni 1992 stond Perot zelfs op 39 procent in de peilingen, tegenover 31 procent voor Bush en 25 procent voor Clinton. Perot ageerde tegen het enorme federale begrotingstekort en de enorme overheidsbureaucratie, waarvoor beide grote partijen verantwoordelijk zouden zijn, terwijl ze geen van beide verantwoordelijkheid zouden wensen te dragen. Perot was ook tegen de vrijhandelszone die – met de steun van vele politici van beide grote politieke partijen – tot stand was gekomen met Canada en Mexico; die vrijhandelszone zou volgens Perot leiden tot het verlies van duizenden Amerikaanse banen. Perot stapte in juli uit de campagne, naar eigen zeggen omdat sommige Republikeinen het huwelijk van zijn dochter wilden verstoren. In augustus kwam hij terug in de campagne, en scoorde in de peilingen meestal ongeveer 20 procent. Perot, Bush en Clinton kruisten de degens in een aantal telvisiedebatten, en Perot werd door kijkers vaak als winnaar van de die debatten aangewezen.

Links Clinton, rechts Perot.

Links Clinton, rechts Perot.

Clinton heeft de verkiezingen uiteindelijk gemakkelijk gewonnen, met 43,0 procent van de stemmen en 370 kiesmanstemmen, tegen 37,5% van de stemmen en 168 kiesmannen voor Bush, terwijl Perot 18,9% van de stemmen kreeg en geen kiesmannen. Perot had in geen enkele staat kunnen winnen, omdat zijn aanhang maar weinig varieerde tussen de diverse staten; daardoor werd hij in de meeste staten derde, en in enkele staten tweede, maar nergens eerste.
Aangezien Perot schatrijk en nogal conservatief was, zou men intuïtief verwachten, dat hij meer stemmen van de Republikeinen heeft “gekaapt” dan van de Democraten. Maar exitinterviews met duizenden kiezers laten zien dat Perot in ongeveer gelijke mate stemmen van beide grote partijen heeft “gekaapt”. Dezelfde interviews lieten ook zien, dat opvallend veel vroegere Republikeinse kiezers rechtstreeks waren “overgelopen” van Bush naar Clinton, in plaats van een “proteststem” uit te brengen op Perot. Opvallend was ook, dat Perot zijn hoogste stempercentages meestal kreeg in staten die hetzij “veilig” waren voor Clinton, hetzij “veilig” voor Bush.
De abortuskwestie – een heikel onderwerp in de VS – werd door alle drie kandidaten gemeden tijdens de campagne. Maar uit exitinterviews blijkt dat Bush en Quayle, door hun extreem conservatieve standpunt – geen abortus, onder wat voor omstandigheden ook – stemmen van gematigde kiezers hebben verloren.
Vier jaar later, in 1996, had Clinton weinig moeite om president te blijven tegen zijn Republikeinse tegenstander Bob Dole en opnieuw de onafhankelijke Ross Perot; laatstgenoemde kreeg in dat jaar wederom geen kiesmanstemmen, en aanzienlijk minder ‘popular votes’ dan in 1992 (8,4% tegen 18,9% in 1992). Perot kreeg die tweede keer veel minder aandacht in de pers, en werd uitgesloten van de debatten met de kandidaten van de twee grote partijen – maar in hoeverre die praktijken de oorzaken zijn van Perot’s geringere aantal stemmen, is moeilijk te achterhalen.

Alex Ritsema (1963) is in 1987 afgestudeerd als econoom en statisticus aan de Universiteit van Groningen. Sinds 1989 werkt hij in Deventer op Saxion Hogescholen – maar dat heeft weinig te maken met één van zijn grote hobby’s: het bezoeken en bestuderen van kleine eilanden, overal ter wereld. Daarnaast is hij geïnteresseerd in de Amerikaanse geschiedenis. Afgelopen weken schreef hij over de Amerikaanse presidentsverkiezingen en over het vak van vicepresident. Alex heeft enkele Engelstalige boeken geschreven over eilanden en maritieme geschiedenis. Meer informatie over de Nederlandse Waddeneilanden schreef hij in zijn boek “Discover the Dutch wadden Islands” (Lulupress, 2008). Zijn eilanden-website is www.aworldofislands.com.