Kinderen laten de bazige communicatiestijl die ze in gesprek met Siri bezigen, moeiteloos varen als ze met mensen in gesprek gaan.

De meeste kinderen vinden het prachtig: virtuele assistenten zoals Siri en Alexa. Ze kunnen er niet alleen talloze (vreemde en ongepaste) vragen op afvuren, maar ze ook eindeloos commanderen: “Bel papa!” “Speel K3 af!” En Siri en Alexa luisteren altijd. Voor ouders kan het heel vermakelijk zijn om er getuige van te zijn hoe hun kinderen de virtuele assistenten commanderen. Maar er kan je ook een gevoel van onrust bekruipen. Want creëren we zo – onbedoeld – niet heel bazige kinderen die straks ook hun leeftijdsgenoten en anderen waarmee ze communiceren op dezelfde bazige en onbeleefde manier gaan bejegenen?

Geen zorgen
Een nieuw onderzoek suggereert dat we daar niet van wakker hoeven te liggen. Experimenten wijzen namelijk uit dat kinderen heel goed begrijpen dat in een gesprek met een virtuele assistent andere omgangsvormen geoorloofd zijn dan in een gesprek met hun ouders of vreemden.

Experiment
De onderzoekers verzamelden 22 Amerikaanse gezinnen. Zij namen deel aan een vijfdelig experiment. Voor het eerste experiment werden de kinderen in twee groepen ingedeeld. De ene groep ging in gesprek met een getekende robot die ze ook op een beeldscherm konden zien. De andere groep ging in gesprek met een getekende cactus, die eveneens op een beeldscherm verscheen. Aan het begin van het gesprek lieten zowel de robot als de cactus de kinderen weten dat het voor kon komen dat ze opeens wat langzamer gingen praten. En als dat gebeurde, moesten de kinderen ‘bungo’ zeggen; dat herinnerde de robot en cactus eraan dat ze wat vlotter moesten gaan converseren. De kinderen pikten dat al snel op: 64 procent van de kinderen zeiden direct ‘bungo’ zodra de pratende robot of cactus vertraagde. Degenen die dat niet gelijk deden, werden er nogmaals aan herinnerd dat ze dat moesten zeggen. En aan het eind van de sessie waren alle kinderen daar aan gewend.

Tweede deel
Tijd voor het tweede deel van het onderzoek. Hierbij werd het eerste experiment herhaald, alleen kregen de kinderen die eerder met de robot hadden gesproken, nu de cactus te zien. En vice versa. Ook nu gingen de cactus en robot op bepaalde momenten in het gesprek trager praten. Hoewel de kinderen er dit keer niet aan herinnerd werden dat ze ‘bungo’ moesten zeggen, deed 77 procent van de kinderen dat toch. En daarop gingen de robot en cactus inderdaad vlotter converseren.

Ouders
Nu de kinderen gewend waren om het woord ‘bungo’ te gebruiken in conversaties met de robot en cactus, waren de onderzoekers benieuwd of ze die gewoonte meenamen in gesprek met mensen. Ze zetten de kinderen in een kamer met hun vader of moeder. De vader of moeder had de opdracht gekregen om met het kind in gesprek te gaan en ergens halverwege opeens veel trager te gaan spreken. Een groot deel van de kinderen (zo’n 68 procent) gebruikte het woord ‘bungo’ ook in gesprek met de ouders, maar dan op een heel andere toon en manier. Speels of als een soort inside joke omtrent het feit dat hun ouders zich als robots gedroegen. Sommige kinderen vroegen hun ouders bovendien twijfelachtig of ietwat gefrustreerd waarom ze zich als robots gedroegen.

Onderzoekers
Na dit experiment gingen ook de onderzoekers nog even met de kinderen om tafel. Ze praatten met de kinderen en gingen vervolgens halverwege het gesprek ook langzamer spreken. In deze gesprekken gebruikte slechts 18 procent van de kinderen het woord ‘bungo’. En waar ze hun ouders daarbij nog weleens in de rede vielen, deden ze dat bij de onderzoekers niet. Ook maakten ze geen opmerkingen over het feit dat de onderzoekers opeens trager spraken en zich feitelijk als robots gedroegen, wel werden er zo af en toe veelzeggende blikken in de richting van de ouders geworpen.

Context
De experimenten wijzen volgens onderzoeker Alexis Hiniker uit dat kinderen zich bewust zijn van de context waarin gesprekken plaatsvinden. “Ze zagen de tweede conversatie met de robot of cactus als een situatie waarin het gepast was om het woord ‘bungo’ te gebruiken. Met de ouders zagen ze het meer als een manier om aan de binding te werken of te spelen. En met de onderzoeker – een vreemdeling – speelden ze het op veilig door de meer traditionele conversationele norm – die stelt dat je iemand die met jou spreekt niet in de rede mag vallen – te omarmen.”

Thuis
Na alle experimenten – die in een lab plaatsvonden – waren de onderzoekers ook heel benieuwd hoe het thuis verder zou gaan. Bleven kinderen ‘bungo’ gebruiken? De onderzoekers besloten de proef op de som te nemen en vroegen de ouders om in de eerstvolgende 24 uur thuis ook zo af en toe aanmerkelijk langzamer te gaan spreken. Van de 20 ouders die dit deden, gaven er 11 aan dat de kinderen het woord ‘bungo’ inzetten. Maar opnieuw wel op een plezierige en niet-bazige manier. “Kinderen zijn zich er sterk van bewust dat robots geen mensen zijn en ze willen die twee groepen ook duidelijk van elkaar gescheiden houden,” aldus Hiniker. “Dus voor de kinderen die deze interactie toch mee naar huis namen, werd het eigenlijk iets heel nieuws. Ze behandelden hun ouders niet als een robot, maar speelden met ze, het werd een manier om contact te leggen met iemand waar ze van houden.”

Leren
En dat laatste is eigenlijk wel heel interessant. Want het suggereert dat kinderen na contact met een robot iets nieuws proberen in de conversaties met hun ouders. Het wijst erop dat virtuele assistenten ook gebruikt kunnen worden om kinderen nieuwe conversatievaardigheden te leren die ze in gesprekken met hun ouders kunnen toepassen. “Er zijn zoveel conversationele strategieën die kinderen kunnen helpen leren en groeien en die leiden tot de ontwikkeling van sterke relaties, zoals bijvoorbeeld het benoemen van gevoelens,” merkt Hiniker op.

Maar misschien wel de belangrijkste conclusie die op basis van dit kleinschalige onderzoek getrokken kan worden, is dat Siri en Alexa onze kinderen niet opzadelen met een communicatiestijl die ze te pas en te onpas gebruiken. “Ik heb er na dit onderzoek meer vertrouwen in dat kinderen prima onderscheid kunnen maken tussen apparaten en mensen.”