Onderzoekers hebben in Mexico de funderingen van een 500 tot 1000 jaar oude stad gevonden die ooit aan de Purépecha toebehoorde. Dit volk bracht de Azteken tot stilstand en regeerde vrijwel geheel west-Mexico tot de door de Europeanen meegebrachte ziektes hen letterlijk velden.

De stad bevindt zich in de staat Michoacan, op de oever van het meer Pátzcuaro. Ooit zouden er 40.000 mensen hebben gewoond. “Wat zo interessant is aan dit gebied is dat het ons een beeld geeft van de periode voordat de staten ontstonden,” vertelt archeoloog Christopher Fisher. “Sociaal gezien werd het allemaal steeds ingewikkelder, mensen kwamen samen en begonnen het landschap te veranderen.”

Tzintzuntzan
Rond 1350 kreeg het rijk van de Purépecha een nieuwe hoofdstad: Tzintzuntzan. Hierop vertrokken heel veel mensen uit de gevonden stad naar de nieuwe hoofdstad toe. Volgens Fisher laat dat zien dat niet de groei van de bevolking, maar de concentratie van de bevolking belangrijk was voor de concentratie van de macht. “Vooral in Meso-Amerika waar je geen huisdieren had. Mensen waren heel belangrijk voor het vervoeren van goederen, het bouwen van dingen en het produceren van voedsel.”

Azteken
Het rijk van de Purépecha was absoluut even sterk als dat van de Azteken. Aan het eind van de vijftiende eeuw raakten de grenzen van de Purépecha die van de Azteken en ontstond een oorlog. De Purépecha wonnen. “Maar de Purépecha hebben als het gaat om de publieke aandacht aan het kortste eind getrokken.” Vrijwel alles wat we van de Azteken weten, komt uit de notities van de Spaanse kolonisten, maar de Spanjaarden hadden weinig te maken met de Purépecha.

Tempel
Op dit moment is met behulp van de computer en speciale GPS-ontvangers ongeveer een vijfde van de stad in kaart gebracht. De archeologen vonden er de restanten van huizen, kamers, gebouwen, kleine tempels, pleinen en akkers.

Vrijwel alles in de stad stamt uit de jaren 1000 tot 1350. Daarna begon de bevolking in te krimpen en tegen 1500 was de stad geheel verlaten. Kort daarop verdween vrijwel het hele rijk door toedoen van verschillende ziektes, waaronder de pokken. Zo’n 80 tot 90 procent van de Purépecha kwam om. Tegen de tijd dat de Spanjaarden het volk aanvielen, was er eigenlijk niemand meer om tegen te vechten.