Hoewel vaak het tegendeel wordt beweerd, is het hebben van een morele standaard niet alleen het domein van gelovigen. Al bestaan er wel interessante verschillen.

Religie wordt vaak geassocieerd met een sterke onderschrijving van morele waarden. Daarentegen hebben veel mensen uit verschillende landen de overtuiging dat atheïsten wat minder over een dergelijk moreel kompas beschikken. Sterker nog, uit een eerdere studie is gebleken dat zelfs atheïsten denken dat immorele mensen atheïst zijn. Maar in hoeverre klopt dat eigenlijk? En hebben atheïsten dan echt geen moreel kompas?

Moreel kompas
Met het ‘moreel kompas’ wordt een soort intern kompas bedoeld, dat zich richt op het juiste. “Het is een relatief veelvoorkomende uitdrukking in de Verenigde Staten,” vertelt onderzoeker Tomas Ståhl in een interview met Scientias.nl. “Het is eigenlijk hetzelfde als zeggen dat een persoon morele waarden heeft die leidend zijn bij zijn oordelen en gedrag. Met andere woorden; mensen met een moreel kompas hebben een idee van wat moreel goed en fout is en vinden moraliteit belangrijk.”

Theïsten vs atheïsten
Deze termen komen goed overeen met religie en het geloof in een God. En dus wordt vaak aangenomen dat kerkgangers wel over een moreel kompas zullen beschikken. Daarentegen wordt vaak gezegd dat atheïsten dat in mindere mate hebben. “Verschillende peilingen tonen aan dat veel Amerikanen een zeer negatieve houding hebben ten opzichte van atheïsten,” vertelt Ståhl. “Eerdere psychologisch onderzoek suggereert dat deze negatieve houding voortkomt uit een gebrek aan vertrouwen en bezorgdheid dat atheïsten immoreel zijn. Het betekent dat veel mensen bang zijn dat atheïsten geen sterk besef van goed en kwaad hebben, of dat atheïsten eerder geneigd zijn om immoreel te handelen als ze daarmee weg kunnen komen omdat ze niet geloven in een toezichthoudende God.” Dit stereotype beeld van atheïsten als minder moreel is overigens niet alleen gangbaar in de Verenigde Staten. Ook in veel Europese landen lijkt dit gebruikelijk. “De vraag rijst: zit er enige waarheid in deze zorgen?” aldus Ståhl. “Geven atheïsten echt minder om moraliteit, of denken ze simpelweg anders over moraliteit dan gelovigen?”

Onderzoek
Om die vragen te kunnen beantwoorden, voerde Ståhl twee onderzoeken uit naar de morele waarden van 429 Amerikaanse atheïsten en theïsten. Daarnaast voerde hij ook twee grootschalige studies uit onder 4.193 atheïsten en theïsten uit de Verenigde Staten (een overwegend religieus land) en Zweden (een overwegend niet-religieus land). De bevindingen, gepubliceerd in het vakblad PLOS ONE, zijn interessant. Want Ståhl toont aan dat zowel theïsten als atheïsten een moreel kompas hebben. Daarnaast blijken gelovigen en atheïsten tevens morele waarden te delen. “Gelovigen en ongelovigen delen vergelijkbare sterke morele zorgen over het beschermen van kwetsbare individuen, over eerlijk zijn (en niet bedriegen), over vrijheid en onderdrukking en over epistemische rationaliteit,” stipt Ståhl aan. Maar, er bestaan ook enkele belangrijke verschillen.

Groepscohesie
De onderzoekers komen tot de ontdekking dat het geloof in God kan worden geassocieerd met een sterkere onderschrijving van morele waarden die de zogeheten groepscohesie bevorderen. “Mensen die in God geloven – zowel Amerikanen als Zweden – beschouwen verschillende waarden zoals (1) respect tonen voor autoriteiten, (2) loyaal zijn aan je eigen groep of gemeenschap en (3) zorgen over heiligheid en zuiverheid als relevanter voor een moreel persoon dan mensen die niet gelovig zijn,” legt Ståhl desgevraagd uit. Ter illustratie: gelovigen zijn meer geneigd om het als immoreel te beschouwen als kinderen een grote mond tegen hun ouders of leraren opzetten (respect voor autoriteit), als mensen hun eigen land of leger bekritiseren (loyaliteit binnen de groep) of als iemand promiscue gedrag vertoont (heiligheid/zuiverheid). Van al deze waarden wordt gedacht dat ze de groepscohesie bevorderen; ze helpen groepsleden dichter bij elkaar te brengen tot hechte gemeenschappen.

Beoordelen op gevolg
Daarentegen zijn atheïsten minder geneigd om waarden te onderschrijven die de groepscohesie bevorderen. Zij zijn eerder geneigd om de moraliteit van acties te beoordelen op basis van hun gevolgen. “Een klassiek voorbeeld is het hypothetische trolleyprobleem,” vertelt Ståhl. Dit is een bekend gedachte-experiment. Een op hol geslagen tram rijdt over het spoor en staat op het punt om vijf spoorwegarbeiders omver te rijden, waarbij ze allemaal komen te overlijden. Jij staat toevallig bij een spoorwissel en zou de tram kunnen omleiden naar een ander spoor. Als je dat doet, rijdt de tram over ‘slechts’ één werknemer heen. Maar is het moreel verantwoord om de hendel over te halen? “Atheïsten zijn eerder geneigd om die vraag met ja te beantwoorden dan gelovigen,” zegt Ståhl. “Atheïsten richten zich namelijk meer op de gevolgen van de handeling, en zien één dode in plaats van vijf doden. Ze denken meer aan de consequenties in hun moreel oordeel dan religieuze mensen.”

Verschil
En dat verschil is eigenlijk heel interessant. “Mijn bevindingen suggereren dat ongelovigen een meer beperkte kijk hebben op moraliteit, in die zin dat ze minder geneigd zijn om waarden die de groepscohesie dienen als relevant beschouwen,” aldus Ståhl. Maar waar komt dit verschil tussen atheïsten en gelovigen eigenlijk vandaan? “Mijn onderzoek verstrekt enkele mogelijke verklaringen voor deze verschillen in morele waarden,” gaat Ståhl verder. “Ze kunnen namelijk het gevolg zijn van precies dezelfde factoren waarvan wordt aangenomen dat ze ervoor zorgen dat mensen in de eerste plaats gelovig of atheïst worden. Het beschouwen van respect voor autoriteit, loyaliteit en heiligheid als relatief irrelevant voor moraliteit wordt geassocieerd met (1) een verminderde blootstelling aan daden van religieuze toewijding in de gemeenschap tijdens het opgroeien, (2) het beschouwen van de wereld als een relatief veilige plek en (3) een meer analytische (in plaats van intuïtieve) denkstijl. Van al deze factoren wordt tevens gedacht dat ze juist het ongeloof in God bevorderen. En dat bleek ook uit onze studie.”

Door het onderzoek is het ook iets duidelijker geworden waar het vooroordeel – dat atheïsten geen moraal kompas zouden hebben – vandaan komt. Want de bevindingen suggereren dat dit wijdverbreide idee gedeeltelijk kan voortkomen uit hun verminderde onderschrijving van morele waarden die de groepscohesie bevorderen én hun op consequenties gebaseerde morele beoordeling van acties per geval. “Maar de algemene boodschap van onze studie is dat atheïsten net zo goed een moreel kompas hebben,” concludeert Ståhl. “In feite delen ze veel van dezelfde morele zorgen met gelovigen. Toekomstig onderzoek is echter nodig om te bepalen of het gedrag van ongelovigen en gelovigen even sterk wordt bepaald door hun morele waarden.”