Grote buideldieren, enorme reptielen en vogels die niet konden vliegen: de giganten der aarde stierven zo’n 40.000 jaar geleden uit op Australië. Dat is maar liefst 10.000 jaar later dan recent werd aangenomen en betekent dat de dieren nog zo’n 5000 jaar met de mens samen hebben geleefd. Een opluchting, want dat bevestigt oude theorieën.

Het was jarenlang een kwestie van gissen: de leeftijd van de gevonden botten en het bepalen van wanneer de grote dieren dan uitstierven, leek onmogelijk. Maar nieuwe technologieën veranderen dat. Wetenschappers zijn er inmiddels in geslaagd de leeftijd van gevonden tanden en botten te bepalen. De onderzoekers gebruikten hiervoor de uranium-thoriumdatering. Hierbij kan de hoeveelheid uranium in de tanden worden gemeten. Deze stof werd in het gebit opgenomen zolang de dieren nog leefden.

Lang werd aangenomen dat de grote dieren zo’n 15.000 jaar met de mens leefden en toen pas uitstierven. Die aanname ontstond toen mensen zo’n honderd tot dertig jaar geleden botten vonden. De omringende sedimenten werden goed bestudeerd en daaruit bleek dat de botten er zo’n 30.000 jaar geleden begraven waren. Die conclusie ondermijnde de hele theorie dat de mens een enorme impact had op het uitsterven van de giganten. Dankzij de nieuwe methode lijkt die theorie nu toch weer te kloppen. De botten zijn wellicht herbegraven, want ze zijn maar liefst 40.000 jaar oud. “Het jongste fossiel dat we hebben is 42.000 jaar oud en het eerste bewijs dat mensen zich over Australië verspreidden is 47.000 jaar oud,” vertelt paleontoloog Barry Brook. “De overlapping is dus maximaal vier- of vijfduizend jaar,”