proefpersoon

Baby’s van zeven maanden zijn al in staat om twee talen met elk een heel andere grammatica uit elkaar te houden en te leren. Dat blijkt uit een interessant onderzoek.

Onderzoekers van de universiteit van British Columbia bestudeerden baby’s die in een tweetalige omgeving opgroeiden. De baby’s werden thuis blootgesteld aan twee talen waarin de volgorde van woorden heel anders was. Bijvoorbeeld Engels en Japans. In het Engels komt het functiewoord voor het inhoudswoord: de (functiewoord) hond (inhoudswoord). In het Japans is dat andersom: hond de. Ook duurt het uitspreken van het inhoudswoord in het Engels langer, terwijl in het Japans de toon waarop het inhoudswoord wordt uitgesproken weer hoger is.

Opmerken
Wetenschappers hebben nu ontdekt dat baby’s die tweetalig worden opgevoed die verschillen al kunnen opmerken en gebruiken om talen uit elkaar te houden. “Al met zeven maanden zijn baby’s gevoelig voor deze verschillen en gebruiken deze als aanwijzingen om talen uit elkaar te houden,” vertelt onderzoeker Janet Werker.

Tweetalig versus eentalig
Werker en haar collega’s bestudeerden eerder al hoe baby’s die met één taal opgroeien onderscheid maken tussen woorden die belangrijk (inhoudswoorden) en woorden die minder belangrijk (functiewoorden) zijn. Uit dat onderzoek bleek dat baby’s op basis van de frequentie waarmee woorden gebruikt worden, vaststellen hoe belangrijk ze zijn. “Zo komen in het Engels de woorden ‘the‘ en ‘with‘ veel vaker voor dan andere woorden,” vertelt onderzoeker Judit Gervain. “De baby’s leren eigenlijk door te tellen. Maar baby’s die tweetalig opgroeien, moeten meer doen dan dat, dus ontwikkelen zij nieuwe strategieën die eentalige baby’s niet per se hoeven te gebruiken.”

Het onderzoek wijst erop dat ouders ook in aanwezigheid van hun baby met een gerust hart twee verschillende talen kunnen spreken, zo stelt Werker. “Je baby heeft de gereedschappen om deze talen uit elkaar te houden en doet dat op opmerkelijke wijze.”