Recent onderzoek dat beweerde dat 17,5 procent van het genoom van beerdiertjes niet afkomstig is van hun voorouders, lijkt niet te kloppen.

In november vorig jaar stelden onderzoekers dat ze ontdekt hadden dat bijna éénzesde van het genoom van het beerdiertje bestaat uit DNA dat het beerdiertje niet van zijn voorouders heeft gekregen. Het beerdiertje zou middels horizontale genoverdracht zo’n 6000 genen van onder meer bacteriën, schimmels en planten ‘geleend’ hebben.

Klopt niet
Maar daar klopt niks van, zo stelt een onderzoeksteam nu in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences. Hun onderzoek toont aan dat slechts minder dan één procent van de genen die het beerdiertje rijk is niet afkomstig is van zijn voorouders.

Besmetting
Dat dit nieuwe onderzoek met een heel ander percentage op de proppen komt, is goed te verklaren. Bijna al het DNA dat de onderzoekers in november aanwezen als DNA afkomstig van andere organismen, blijkt simpelweg niet bij het beerdiertje te horen, maar afkomstig te zijn van bacteriële besmetting.

Heel normaal
In werkelijkheid is dus minder dan één procent van de genen van het beerdiertje afkomstig van andere organismen. En dat is een heel normaal percentage; de meeste dieren hebben een genoom dat voor minder dan 1 procent uit vreemd DNA bestaat (zelfs wij mensen hebben enkele ‘vreemde’ genen).

Beerdiertjes zijn heel bijzondere organismen. Grote druk, kosmische straling, een gebrek aan zuurstof, extreem hoge of extreem lage temperaturen: het beerdiertje overleeft het allemaal. In november stelden onderzoekers dat de vele ‘vreemde’ genen in het genoom van het beerdiertje wellicht konden verklaren dat het organisme zoveel hebben kon. Maar ook die redenering kan nu dus van tafel.