Succesverhalen vanuit Nieuw-Zeeland en IJsland – beiden gezegend met een vrouwelijke leider – suggereren van wel. Maar is dat ook zo?

In mei verklaarde de Nieuw-Zeelandse minister-president Jacinda Ardern dat haar 4,8 miljoen inwoners tellende land officieel coronavrij was. Ondanks een intensief testbeleid kon men meerdere dagen op rij geen enkele besmetting vaststellen. En hoewel er half juni weer regelmatig besmettingen werden vastgesteld, bleven extreme pieken zoals hier in Europa uit. Het Nieuw-Zeelandse dagrecord werd in april genoteerd, toen er in 24 uur tijd 89 nieuwe besmettingen bijkwamen. Tot op de dag van vandaag wordt de Nieuw-Zeelandse aanpak wereldwijd geprezen en benijd. En niet zelden wordt daarbij natuurlijk ook naar Ardern gekeken; de minister-president die haar land vastberaden door deze crisis loodst. En ze is niet de enige vrouwelijke leider die geprezen wordt om haar aanpak van de coronacrisis; vergelijkbare lofzangen klinken voor Katrín Jakobsdóttir, minister-president van IJsland, waar tot op de dag van vandaag nog geen 6000 mensen met het virus besmet zijn geraakt en dat tot op heden ‘slechts’ 29 sterfgevallen noteerde.

Leiderschapskwaliteiten
Het zijn succesverhalen zoals deze die ertoe geleid hebben dat verschillende media voorzichtig concludeerden dat je tijdens een crisis zoals deze beter af bent met een vrouwelijke leider. Daar is wetenschappelijk gezien ook wel iets voor te zeggen, zo vertelt politicoloog Leah Windsor, verbonden aan de universiteit van Memphis. “We weten dat van vrouwen (over het algemeen gesproken) verwacht wordt dat ze masculiene leiderschapskwaliteiten vertonen (dat wil bijvoorbeeld zeggen: dat ze besluitvaardig zijn), maar ook eigenschappen laten zien die we in verband brengen met vrouwelijkheid (bijvoorbeeld: zorgzaamheid en medeleven). Zijn ze te mannelijk, dan wordt dat afgestraft. Hetzelfde geldt wanneer ze te zwak of te aardig zijn. Pandemieën bieden vrouwen echter de mogelijkheid om beide typen leiderschapskwaliteiten te laten zien, zonder op één van deze kwaliteiten te worden afgerekend.”

Maar hoe zit dat in de praktijk? Is in landen met vrouwelijke leiders ook daadwerkelijk sprake van minder besmettingen en minder sterftegevallen? Windsor en collega’s hebben dat nu uitgezocht. En hun studie wijst uit dat het te kort door de bocht is om te concluderen dat landen met een vrouwelijke leider beter af zijn. Het blijkt namelijk net ietsje genuanceerder te liggen.

Het onderzoek
In hun studie analyseerden de onderzoekers het aantal besmettingen en sterfgevallen in 175 verschillende landen. Daarnaast gingen ze na of een land geleid werd door een man of vrouw en hoeveel mannen en vrouwen er zitting hadden in het parlement. Daarnaast stelden ze van elk land ook vast welke culturele eigenschappen het had. Vervolgens keken ze of er een verband was tussen het aantal besmettingen en sterftes en het geslacht van de leider van een land. Dat bleek er niet te zijn. “We zagen dat er geen statistisch significant verschil was tussen COVID-19-sterftes in landen geleid door vrouwen en landen geleid door mannen,” zo schrijven de onderzoekers.

Nuance
Maar – en nu komt de nuance – anders werd het als de onderzoekers niet alleen keken naar het geslacht van de leider, maar ook naar de culturele waarden van een land. Opeens bleken landen met een vrouwelijke leider het wel aanzienlijk beter te doen, tenminste: als hun land de culturele waarden die vrouwelijk leiderschap mogelijk maken, omarmde. “Egalitaire samenlevingen doen het beter,” legt Windsor uit. “Net als samenlevingen die sterker gericht zijn op de lange termijn dan op de korte termijn, die de gezondheid en het welzijn van hun burgers belangrijk vinden en waar rolpatronen niet kieskeurig gehandhaafd worden en men onzekerheid beter tolereert (dat laatste is met name heel belangrijk tijdens een pandemie!). In zulke samenlevingen is het ook waarschijnlijker dat vrouwen als leiders gekozen worden.” Maar zelfs wanneer dergelijke samenlevingen toch een man als leider kiezen, doen ze het beter dan samenlevingen zonder deze culturele waarden. “Samenlevingen met egalitairdere culturele waarden doen het beter dan samenlevingen zonder deze culturele waarden en wanneer ze een vrouw kiezen als leider doen ze het nog beter,” zo concludeert Windsor.

Verrassend
De resultaten van het onderzoek zijn best verrassend, zeker omdat het idee dat landen met vrouwelijke leiders het per definitie beter doen dan landen met mannelijke leiders door velen – vaak op aangeven van nieuwsmedia – al omarmd is. Dat het idee ontstaan is dat landen met vrouwelijke leiders beter af zijn, is volgens Windsor en collega’s te herleiden naar het sterke optreden van een aantal vrouwelijke leiders en de krachtige toespraken die zij – denk aan Ardern, maar ook de Duitse Angela Merkel – aan het begin van de pandemie gaven. Bovendien zou er in berichtgeving over het succes van vrouwelijke wereldleiders sprake zijn van een selectiebias, waarbij de focus met name ligt op westerse landen (die nu eenmaal vaker vrouwelijke leiders hebben). Zo is er bijvoorbeeld in maar weinig nieuwsmedia aandacht geweest voor Vietnam, een land met een mannelijke leider en bijna 100 miljoen inwoners maar ‘slechts’ rond de 1500 besmettingen 35 sterftegevallen.

Samengevat ben je tijdens een pandemie dus beter af met een vrouwelijke leider als de samenleving waar je deel van uitmaakt specifieke culturele waarden omarmt. “Vrouwen zijn in staat om een nationale leiderschapspositie te bekleden in landen waar culturele kernwaarden de eigenschappen die je vaak ziet bij vrouwelijke leiders – zoals een focus op de lange termijn en een collectivistische (in plaats van een individualistische) aanpak – beloont,” zo schrijven Windsor en collega’s. De effecten van deze kernwaarden komen tijdens een pandemie van pas en worden met een vrouwelijke leider als het ware versterkt. En dat vertaalt zich in minder COVID-19-sterftes. Een mannelijke leider zou in een vergelijkbare samenleving ook succesvoller zijn dan mannelijke leiders in samenlevingen zonder deze kernwaarden, maar niet zo succesvol als een vrouw. “Onze studie suggereert dat het geslacht van de leider ertoe doet, maar niet pers e op de manier die in de huidige discussies naar vormen komt,” zo concluderen de onderzoekers.