In de woestijn van Neder-Californië is onlangs een zilveren armband gevonden. Het is het eerste bewijs van de aanwezigheid van de Mormonen gedurende de oorlog tussen Mexico en de Verenigde Staten in 1847. De Mormonen sloegen in de woestijn hun kampen op alvorens zich in de strijd te mengen.

De armband werd na een zandstorm ontdekt en bewijst dat de Mormonen zo’n drie dagen in de woestijn bleven en daarna deelnamen aan de strijd. De aanwezigheid van de Mormonen stond eerder enkel in documenten beschreven, maar kon nooit met tastbare bewijzen worden onderbouwd.

De armband is van zilver. De tien geboden staan er in oud Engels op vermeld. Ook is de omslag van de Bijbel in de armband gekerfd. De sluiting van het sieraad bestaat uit twee engelenhanden. “Blijkbaar was de eigenaar van de armband een Mormoonse soldaat die deel uitmaakte van het bataljon,” meent archeoloog Antonio Porcayo Michelini. De Mormonen waren wellicht op zoek naar water en sloten zich vervolgens aan bij de 500 soldaten van luitenant kolonel Phiip St. George Cook. Als dank voor hun inzet tijdens de oorlog kregen ze van de Amerikaanse overheid het aanbod om in Utah en Nevada te gaan wonen. Ze konden hun religie daar vrijelijk uitoefenen.

Foto: Centro INAH Baja California.

Naast de armband is ook een stenen mes gevonden. Dit zou zo’n 8000 jaar oud zijn. Daarnaast trof men keramiek, visbotten en andere resten van zoogdieren aan.

De komende maanden zullen door de archeologen worden besteed om te bepalen van wie de armband precies was. Hierbij wordt gebruik gemaakt van dienstroosters en gedetailleerde Mormoonse registers.

De Mormonen maken deel uit van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. De geestelijke stroming bestaat nog steeds en heeft zo’n dertien miljoen leden.