Als er iets niet ‘groen’ is, dan is het wel crematie. Er is brandstof nodig om een hitte van 1.000 graden Celsius te genereren. Een gecremeerd persoon zorgt voor 150 tot 400 kilo aan CO2-emissies. Om niet te spreken over het kwik dat vrijkomt door de verbranding van tandvullingen. Gelukkig is er een oplossing: biocrematie.

De overledene wordt in een gesloten kamer gelegd met water, kaliumhydroxide en natrium. De temperatuur is een aardige 150 graden Celsius, veel lager dan bij een normale crematie. In drie uur tijd valt het dode organische materiaal uit elkaar, net zoals dat onder de grond gebeurt, alleen dan een stuk sneller. Het as dat overblijft is wit.

Een biocrematie is goedkoper dan een standaard crematie en er wordt minder CO2 geproduceerd. Volgens de Cremation Association of North America komt er slechts vijftig kilo aan CO2-emissies vrij bij biocrematie. Ook bespaart biocrematie gas en elektriciteit.

Op dit moment is deze manier van cremeren – alkalische hydrolyse – alleen mogelijk in de Verenigde Staten. Biocrematie is momenteel toegestaan in de staten Minnesota en Florida. Waarschijnlijk dat binnenkort andere staten volgen. Het is te hopen dat de Amerikaanse techniek binnenkort ook naar Europa komt.