Er is de nodige reuring ontstaan over een Boeddhistisch beeldje dat de Nazi’s kort voor de oorlog in Tibet ontdekt zouden hebben en dat na onderzoek gemaakt blijkt te zijn van een meteoriet. Een Duitse professor beweert nu dat het overduidelijk nep is.

Vorige maand schreven wetenschappers in het blad Meteoritics & Planetary Science dat het Boeddhistische beeldje in kwestie van onschatbare waarde moest zijn. Dat had alles te maken met het bijzondere verhaal achter het beeldje. Het beeldje zou zo’n 1000 jaar geleden vervaardigd zijn, in 1938 tijdens een Nazi-expeditie in Tibet zijn gevonden en door de Nazi’s mee naar Duitsland zijn genomen. Dat de Nazi’s het beeldje – met een beeltenis van de Boeddhistische god Vaisravana – graag wilden hebben, zou mede te maken hebben gehad met de swastika die op de buik van de god staat afgebeeld. Als klap op de vuurpijl is het beeldje ook nog uit een meteoriet gekerfd en gaat het kunstwerk de boeken in als de enige bekende afbeelding van een menselijke figuur die in een meteoriet is gekerfd.

Nep
Professor Achim Bayer, Boeddholoog aan de universiteit van Seoul en Hamburg reageert met een paper van zeventien pagina’s op de claim. En hij laat weinig van het oorspronkelijke onderzoek heel. Volgens hem is het beeldje overduidelijk nep: het zou ergens tussen 1910 en 1970 in Duitsland zijn geproduceerd. Om een hoop geld voor het beeldje te vangen, werd het beeldje waarschijnlijk gepresenteerd als een vondst die de Nazi’s tijdens één van hun expedities deden. Dat dat verhaal een eigen leven is gaan leiden, is ergens logisch, stelt Bayer. “Alhoewel men in deze periode (1910-1970, red.) gefascineerd was door Tibet, moesten Europese kunstenaars op hun eigen technieken vertrouwen wanneer ze Tibettaanse kunst nabootsten en kopers ervan wisten meestal niet hoe ze echte kunst van namaak moesten onderscheiden.”

Draagt deze Boeddhistische god Europese schoenen? Foto: Dr. Elmar Buchner.

Kenmerken
Dat het beeldje wellicht hartstikke nep is, baseert Bayer voornamelijk op de niet-Aziatische kenmerken van het beeldje. In zijn paper noemt hij er dertien, maar hij suggereert dat er nog veel meer zijn. Zo wijst hij bijvoorbeeld op de schoenen van de god. Men zou verwachten dat de god blootsvoets zou zijn of traditionele schoenen zou dragen. In plaats daarvan draagt hij schoenen die – zoals we dat in Europa gewend zijn – de voeten tot aan de enkels helemaal bedekken. Ook de broek trok direct de aandacht van Bayer. Deze lijkt namelijk in niets op hetgeen traditionele sculpturen uit Tibet of Mongolië normaal gesproken dragen: traditionele beeldjes dragen rokken, maar nooit broeken. Ook de baard is veel te dik: goden werden altijd afgebeeld met een dunne baard.

Samenstelling team
Bayer stelt dat de niet-Aziatische kenmerken die hij in zijn paper opmerkt door elke expert op het gebied van Tibet en oude Tibettaanse kunst zouden zijn opgemerkt. Hoe kan het dat – als hij gelijk heeft – de onderzoekers dat niet hebben opgemerkt? Bayer wijt het aan de samenstelling van het team. De onderzoeksgroep bestond voornamelijk uit mensen die gespecialiseerd waren in het identificeren van de materialen waar het beeldje van gemaakt is. Natuurlijk hebben de onderzoekers zich ook wel gewend tot musea en diverse experts, maar echte expert op het gebied van Tibet en het Boeddhisme zouden niet aan het woord zijn gekomen.

Meteoriet
Het lijkt erop dat Bayer op dat punt gelijk heeft: het onderzoek richtte zich inderdaad meer op de afkomst van het materiaal dan op de authenticiteit van het verhaal achter het beeldje. De onderzoekers stelden de samenstelling van het materiaal vast, concludeerden dat het beeldje gemaakt is van een meteoriet en konden zelfs concluderen waar die meteoriet gevallen zou zijn. En het lijkt erop dat ze het daarmee toch wel bij het rechte eind hebben. Bayer trekt die conclusies – mede omdat het zijn vakgebied niet is – niet in twijfel. “Ik ben niet in staat om op de geochemische resultaten te reageren. Als het materiaal in kwestie inderdaad uit dit gebied (het grensgebied tussen Oost-Siberië en Mongolië, red.) komt, dan zou ik aannemen dat het in ruwe vorm naar Duitsland kwam.” Dat hoeft echter zeker niet te betekenen dat de Nazi’s de meteoriet meebrachten. “Er zijn verschillende manieren waarop het beeldje naar Duitsland kan zijn overgebracht.”

En daarmee lijkt het verhaal van een door de Nazi’s gestolen Boeddhistisch beeldje, gemaakt van materiaal uit de ruimte in ieder geval deels op zeer losse schroeven te staan. Het verrast onderzoeker Elmar Buchner, de hoofdauteur van het oorspronkelijke paper dat vorige maand verscheen niet, zo laat hij in een reactie aan Scientias.nl weten. “Om eerlijk te zijn, hadden we dit wel verwacht. We hebben voor en na de publicatie van ons paper zoveel meningen van zoveel experts op het gebied van kunstgeschiedenis en het Boeddhisme gehoord over de oorsprong en leeftijd van het beeldje. Voor ons is de hypothese van Bayer dan ook gewoon één mening. Wij kunnen niet concluderen of deze hypothese klopt of niet, aangezien we geen experts zijn op het gebied van de kunstgeschiedenis en we vertelden de pers dan ook dat onze aannames wat betreft de oorsprong en leeftijd van het beeldje speculatief waren. Het doel van het onderzoek was laten zien dat het beeldje gemaakt was van een meteoriet en dat we in staat waren om aan te tonen dat de meteoriet deel uitmaakt van de Chinga-meteoriet.” Buchner kan zich verder absoluut niet vinden in het verwijt van Bayer dat er geen contact is gezocht met experts op het gebied van het Boeddhisme en Tibet. “We hebben zeker contact gehad met een tibetoloog en boeddholoog! We hebben ook contact gehad met het hoofd van het Völkerkundemuseum in Stuttgart en anderen nog voordat we ons paper publiceerden. Bovendien: naast twee reviewers die de aspecten omtrent de meteoriet beoordeelden, waren er ook twee reviewers die de kunsthistorische aspecten beoordeelden. Zij trokken onze aannames omtrent de afkomst en leeftijd van het beeldje niet in twijfel. En nog een andere belangrijke opmerking: de publicatie van Bayer is niet aan collegiale toetsing onderworpen: het is een persoonlijke verklaring.” Dat Bayer zo genadeloos afrekent met de kunsthistorische kant van een verhaal waarin de focus ligt op de samenstelling van gesteenten neemt Buchner hem in beginsel absoluut niet kwalijk. “In de laatste paragraaf van ons paper moedigen we tibetologen en boeddhologen zelfs aan om ons te vertellen of de aannames omtrent de kunsthistorische aspecten correct zijn of niet. We kunnen een wetenschappelijk debat over de kunsthistorische aspecten dan ook zeker waarderen. Maar nogmaals: daar lag niet de focus van ons onderzoek.”