Uw hersenen hebben een verstoord beeld van uw eigen handen. Dat blijkt uit onderzoek. Het brein ‘denkt’ dat de vingers korter zijn en dat de handen in hun geheel een stuk dikker zijn dan in werkelijkheid het geval is. De reden van dit rare beeld is onduidelijk.

De onderzoekers vroegen proefpersonen om hun hand onder een boord te plaatsen zodat ze deze niet konden zien. Vervolgens moesten de proefpersonen boven het boord aangeven waar ze dachten dat hun vingers zich bevonden. Hieruit bleek dat proefpersonen hun handen gemiddeld tweederde breder en eenderde korter achten dan in werkelijkheid het geval was.

Informatie
Wanneer het brein moet bepalen waar een lichaamsdeel zich bevindt, maakt het waarschijnlijk gebruik van twee soorten informatie. Allereerst de signalen die het krijgt van de spieren en gewrichten. Ten tweede kijkt het brein ook naar het beeld dat het van een lichaamsdeel heeft. Dus wanneer het brein in moet schatten waar de vingers zich bevinden, gaat het af op de spieren en gewrichten in de arm en hand en de lengte van de arm, hand en vingers.

Bewust beeld
“Natuurlijk weten we wel hoe onze hand er in het echt uitziet,” merkt onderzoeker Matthew Longo op. “Onze proefpersonen konden op accurate wijze de foto met hun eigen hand uit een set foto’s met verschillende handen kiezen. Dus er is duidelijk ook een bewust en visueel beeld van het lichaam.” Maar dat visuele beeld gebruikt het brein niet om lichaamsdelen ‘op te sporen’.

Gevoelig
De onderzoekers vermoeden dat het verstoorde lichaamsbeeld voortkomt uit de manier waarop het brein verschillende lichaamsdelen ‘aanvoelt’. Zo waren de proefpersonen naarmate een vinger zich verder van de duim bevond, minder goed in staat om de exacte lengte juist te schatten. Blijkbaar neemt de gevoeligheid van de vingers naarmate ze zich verder van de duim bevinden af en ontstaat daardoor een verstoord beeld.

De onderzoekers menen dat hun resultaten van groot belang kunnen zijn als het gaat om psychiatrische aandoeningen waarbij het zelfbeeld om de hoek komt kijken. Bijvoorbeeld anorexia nervosa. Hierbij heeft de patiënt ook het idee dat hij of zij dikker is dan in werkelijkheid het geval is. Door te achterhalen hoe zo’n verstoord beeld tot stand komt, kan het wellicht worden aangepakt.