Vele wetenschappers hebben zich zorgen gemaakt over de combinatie klimaatverandering en vogels. Nu blijkt uit onderzoek dat dat helemaal niet nodig was: de vogels staan hun mannetje. In de lente vertrekken ze ietsje eerder en om te voorkomen dat ze te vroeg op hun (nog koude) eindbestemming aankomen, doen ze er gewoon ietsje langer over.

“Wij hebben een tijdje beweerd dat trekvogels moeite zouden hebben om zich aan de klimaatverandering aan te passen,” vertelt onderzoeker Christian Both van de universiteit van Groningen. De vogels overwinteren in Afrika en Zuid-Amerika en kunnen van daar vandaan natuurlijk niet zien wanneer de lente hier op het noordelijk halfrond begonnen is. “Vogels reageren op de klimaatverandering, maar wel op een indirecte manier. Ze broeden eerder, waardoor vogels ook eerder geboren worden. Wij hebben nu aangetoond dat het effect van de vroege geboorte is dat de vogels ook eerder migreren.”

Neem de bonte vliegenvanger. Het diertje overwintert in het westen van Afrika en maakt een reis van 5.000 tot 9.000 kilometer om de rest van het jaar in Europa en het westen van Siberië te kunnen verblijven. Het vogeltje pauzeert een tijdje in het noorden van Afrika om voedsel te verzamelen voor de rest van de vlucht. Uit onderzoek blijkt dat de bonte vliegenvangers in 2002 tien dagen eerder dan in 1980 in het noorden van Afrika aankwamen. Toch kwamen ze niet eerder aan op hun eindbestemming: Nederland of Zweden. Ze worden namelijk in het zuiden van Europa wat opgehouden omdat de omstandigheden daar minder goed zijn. En dat is maar goed ook. Als de vogels er niet langer over zouden doen, zou de aankomst wel eens akelig kunnen zijn, omdat de lente op het noordelijk halfrond nog niet begonnen is en er veel te weinig voedsel is.

De vogels doen dus hun best, maar is dat genoeg? De grote vraag is nu of diersoorten in staat zijn om zich op tijd aan de klimaatveranderingen te kunnen aanpassen. Het proces van evolutie vraagt vaak tijd en het klimaat verandert snel en grillig. “Het blijft afwachten of de evolutie dieren snel genoeg kan aanpassen om hun afname tegen te gaan.”