cocaine

Mensen die regelmatig cocaïne gebruiken kunnen zich moeilijker in anderen inleven en stellen zich minder sociaal op. Wetenschappers hebben nu ontdekt hoe dat komt: sociale contacten geeft cocaïnegebruikers niet dat fijne, belonende gevoel dat niet-cocaïnegebruikers wel ervaren.

Onderzoekers van de universiteit van Zürich verzamelden een aantal proefpersonen: een deel ervan gebruikte regelmatig cocaïne, de overige proefpersonen gebruikten geen drugs. Vervolgens voerden de onderzoekers een aantal experimenten uit. Zo keken ze hoe de proefpersonen reageerden op gedeelde aandacht. We spreken van gedeelde aandacht wanneer mensen nadat ze elkaar aangekeken hebben, samen naar hetzelfde object kijken. Normaliter geeft dit mensen een fijn gevoel. Maar dat bleek bij cocaïnegebruikers anders te zijn. Gedeelde aandacht was voor hen minder belonend dan voor mensen die geen drugs gebruikten.

In de hersenen
De onderzoekers gingen op zoek naar een verklaring daarvoor en scanden de hersenen van de proefpersonen. Zo ontdekten ze dat de mediale orbitofrontale cortex – een cruciaal onderdeel van het beloningssysteem – bij cocaïnegebruikers minder actief was. Dat de verminderde activiteit van dit deel van het brein ten grondslag lag aan het feit dat de proefpersonen minder blij werden van sociale contacten blijkt wel uit het feit dat de mensen met een beperkte activiteit in de mediale orbitofrontale cortex de afgelopen weken ook minder sociale contacten hadden gehad.

WIST U DAT…

…de eerste dosis cocaïne het brein dezelfde dag nog verandert?

Niet zo positief
“Cocaïnegebruikers ervaren sociale contacten als minder positief en lonend dan mensen die de drug niet gebruiken,” concludeert onderzoeker Boris Quednow. Het kan mogelijk verklaren waarom cocaïnegebruikers ondanks dat ze door hun cocaïnegebruik al hun familieleden en vrienden dreigen kwijt te raken toch doorgaan met de drug.

Het onderzoek biedt ook handvatten voor de behandeling van mensen die verslaafd zijn aan cocaïne. “Sociale vaardigheden, zoals empathie en sociaal gedrag, zouden tijdens de behandeling getraind moeten worden, om de effectiviteit en duurzaamheid van de behandeling te vergroten.”