Microscopische plantjes ontvoerden miljoenen jaren geleden algen, hielden ze gevangen en stalen hun genen om middels fotosynthese zelf meer energie te kunnen produceren en uit te groeien tot een machtige soort. Dat hebben onderzoekers ontdekt.

Miljoenen jaren leek het erop dat de plantjes met hun misdaad weg zouden komen. Maar op de valreep van 2012 komt de waarheid dan toch nog boven tafel. Hoewel de misdaad allang verjaard is, zijn onderzoekers er toch nog in geslaagd om bewijs voor de criminele activiteiten van protozoa (microscopisch kleine plantjes) te vinden.

Twee kernen
De onderzoekers bestudeerden het DNA van twee soorten algen: Guillardia theta en Bigelowiella natans (zie hierboven). De onderzoekers kozen voor deze twee algen, omdat ze bijzonder zijn. In tegenstelling tot andere planten en algen hebben ze niet één maar twee celkernen. De onderzoekers vonden daar een verklaring voor en ontdekten zo direct een ontbrekend puzzelstukje in de evolutie van planten en algen.

Eén keer

“We denken dat de genen voor fotosynthese slechts één keer ontstonden, zo’n drie miljard jaar geleden,” vertelt onderzoeker Geoff McFadden. “Dus alle planten, algen en blauwwieren kunnen energie opwekken uit licht, omdat ze deze genen, nodig voor fotosynthese, verkregen hebben.”

Hoe dan?
Het lijkt erop dat de microscopische plantjes algen verzamelden en al snel verslingerd raakten aan de suikers die de algen middels fotosynthese produceerden. De protozoa namen de algen ‘gevangen’: sloten ze in hun cellen in en de twee organismen begonnen langzamerhand één te worden. “We ontdekten dat de protozoa in eerste instantie in staat waren om meerdere verschillende klonen van hun slaven te houden en er zo af en toe één of twee plunderden om aan de essentiële genen te komen. Maar op een bepaald moment nam het aantal gevangenen in elk microscopisch plantje af tot één individu. Dus als ze (de protozoa, red.) in de cellen van de algen zouden inbreken en de laatste essentiële genen zouden stelen, zouden ze de algen vernietigen en niet langer in staat zijn om die genen voor fotosynthese te gebruiken. Dus de twee cellen – een gevangene en een ontvoerder – waren op een punt aangekomen waar ze van elkaar afhankelijk waren om te kunnen overleven.”

De twee kernen zijn een overblijfsel van die samenwerking. Hard bewijs dat de protozoa de algen ontvoerden en genen afhandig maakten om daar zelf beter van te worden, zo stellen de onderzoekers in het blad Nature.