Het huidige klimaatdebat is een wolf in schaapskleren: schattig, maar tegelijkertijd levensgevaarlijk.

Elke verjaardag is het weer zover. Logisch. Er is ook elke keer aanleiding toe. Vinden zij. De zomer begint te laat. De winter begint te vroeg. Het sneeuwt te lang. En het voorjaar begint te laat. En zulke fenomenen voeden de scepticus zoals een (verlaat) voorjaarszonnetje een krokus voedt. “Ik dacht dat we een broeikaseffect kregen,” schreeuwt oom Kees wanneer hij in het prille voorjaar insneeuwt. “Allemaal onzin,” bromt een ander. Waarna woorden als ‘geld’, ‘marketingtruc’ en ‘*lelijk woord* wetenschappers’ met een boogje over de tafel met taart heenvliegen.

Kleuters
Ik vind het aandoenlijk. Alsof kleuters de snaartheorie bespreken. Zoiets is het, ja. De dreumesen hebben er natuurlijk de ballen verstand van, maar men moet iets wanneer men meer tijd op de BSO doorbrengt dan thuis. En dus vliegen de variabelen zonder kant noch wal te raken door de kamer.

Al Gore. Foto: Center for American Progress Action Fund.

Al Gore
Maar niet alleen deze kleuters en klimaatsceptici zijn aandoenlijk. Mensen die heilig in klimaatverandering geloven, zijn minstens zo schattig. Het enthousiasme waarmee ze hun bewijsstukken aandragen, is ronduit vertederend. Ook een beetje angstaanjagend, overigens. Bijvoorbeeld wanneer Al Gore met Amerikaans enthousiasme over die ongemakkelijke waarheid vertelt. Dat het ongemakkelijk is, staat als een paal boven water. Dat is eigenlijk nog zachtjes uitgedrukt: als we Al Gore moeten geloven vergaat de wereld namelijk. Het andere deel van zijn handelskenmerk spreekt mij minder aan. Waarheid doet immers vermoeden dat het al onomstotelijk vaststaat. Al Gore predikt zijn klimaattheorie zoals de priesters in de zestiende eeuw aan mensen in de Nieuwe Wereld over God vertelden. Alsof het echt waar is. En alsof het een schande is als u het niet gelooft. Sterker nog: hel en verdoemenis volgen als u uzelf nu niet bekeert en een elektrische auto gaat rijden.

Groot probleem
Wanneer u de twee kampen zo van een afstandje beschouwt, moet u er misschien bijna om glimlachen. Want het is heel schattig als mensen zich opwinden over zaken die ze boven de pet gaan. Maar glimlachen gaat niet, want er valt niets te lachen. Dit schattige klimaatdebat is namelijk een bron van een groot probleem: wantrouwen jegens de wetenschappers, onder de klimaatsceptici wel beter bekend als ‘oplichters’. Ongeacht wie er nu precies gelijk heeft – de klimaatsceptici of hun tegenhangers – dit debat zit het wetenschappelijk onderzoek en de adviezen die daaruit voortkomen vreselijk in de weg. Want wanneer oom Kees roept dat hij niet in klimaatverandering gelooft – wat natuurlijk zijn goed recht is – dan baseert hij zich op een versimpeling van zaken. Logisch: oom Kees begrijpt al dat jargon niet. Datzelfde geldt voor tante Miep die zich in een hybride auto hijst en zo het gat in de ozonlaag hoopt te dichten. Wanneer zij met oom Kees discussieert dan benadrukt ze de zeespiegelstijging, waarop oom Kees weer roept dat hij laatst nog gelezen heeft dat dat wel mee zal vallen. Exacte bronnen kunnen ze niet noemen. Exacte cijfers ook niet. Het zijn gewoon kreten op basis van wat losse flarden. En eens worden ze het nooit: zo’n discussie zaait alleen maar verdere verdeeldheid en belangrijker nog: twijfel.

Sceptisch. Afbeelding: WUR.nl

Wantrouwen
Ondertussen blijven wetenschappers zich in ons klimaat verdiepen en proberen ze een genuanceerder beeld te scheppen. Het verdeelde publiek hoort hun studies aan en pikt eruit wat ze bevalt. In het geval van oom Kees de conclusie dat de zeespiegelstijging wel mee zal vallen. In het geval van tante Miep de conclusie dat de zeespiegel toch wel flink stijgt. Het ene sluit het andere niet uit: de zeespiegel zal best wel stijgen, maar misschien niet zo erg als gedacht. Maar voor nuance lijkt in het publieke debat al geen plaats meer. En steeds vaker komen de beide partijen erachter dat ze elkaar met heel verschillende argumenten van dezelfde wetenschappers bestrijden. Logisch: zowel klimaatsceptici als hun tegenhangers kunnen in een uitgebalanceerd onderzoek argumenten vinden die hun pleidooi ondersteunen. En zo ontstaat een serieus probleem. De vingertjes van klimaatsceptici en hun tegenhangers beginnen namelijk steeds minder richting elkaar een steeds meer richting de wetenschap te wijzen. Onderzoekers worden afgeschilderd als oplichters en leugenaars, profiteurs zelfs. Het vertrouwen in hun resultaten daalt. En spoedig lijken we dan ook op een punt te komen dat het wetenschappelijk onderzoek slechts een beperkte rol in ons debat speelt. Wat dan overblijft? Wantrouwen. En daar zijn we niet bij gebaat. Want uit wantrouwen vloeit toch al snel een passieve houding voort. De armen gaan over elkaar, in afwachting van die ene wetenschapper die al het wantrouwen wegneemt en in Jip-en-Janneke-taal kan uitleggen (en onderbouwen!) hoe het nu werkelijk zit. Probleem is alleen dat wetenschappers nog niet op dat punt zijn aangekomen. Wat zij tot op heden hebben blootgelegd is nog maar een topje van de ijsberg.

We hebben onszelf opgezadeld met een ongezond debat waarin het onmogelijk is dat één van de partijen zijn gelijk haalt, want de argumenten kloppen niet. Ze zijn onjuist of in het gunstigste geval onvolledig. Een impasse dreigt. De rol van de wetenschap is daarin al teruggebracht tot die van een roepende in de woestijn. Onderzoekers waarschuwen ons voor naderend onheil. Onheil dat zich – in grotere of kleinere mate dan de onderzoekers vermoeden, dat blijft nog even gissen – in onze richting haast. Niet het ultieme moment voor een discussie, als u het mij vraagt. Maar het debat is reeds begonnen en dus moeten we het afmaken. De aarde redden moet dan ook nu niet onze prioriteit hebben. Belangrijker is dat we dat klimaatdebat eens naar een hoger plan tillen. Alleen dan kunnen we zo spoedig mogelijk met vereende krachten doen wat nodig is om de aarde en de wetenschap te redden: twee zware missies die we onmogelijk aan kleuters kunnen overlaten.