Kunnen scheppingsverhalen standhouden nu het bewijs voor de evolutietheorie zo overtuigend is?

In 1831 stapte de jonge Charles Darwin aan boord van de HMS Beagle. De reis voerde onder meer naar Kaapverdië, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Amerika en natuurlijk de Galapagoseilanden. Darwin verzamelde tijdens de bijna vijf jaar durende reis een schat aan informatie. En op basis van die informatie concludeerde hij in 1838 in een notitieboekje dat soorten evolueren door de selectie van voordelige variaties. Vervolgens nam hij bijna twintig jaar de tijd om dat idee verder te verkennen en uit te werken. Het mondde uiteindelijk in 1859 uit in de publicatie van het wereldberoemde ‘The Origin of Species‘.

Charles Darwin. Afbeelding: J. Cameron (via Wikimedia Commons).

Verzet
In één klap leek de schepper of ontwerper van de wereld – wie dat dan ook mocht zijn – buiten spel te komen staan. Overigens hield Darwin wat dat betreft een slag om de arm, zo is af te leiden uit de motto’s die hij voor zijn boek koos, waaronder een quote van wetenschapsfilosoof William Whewell die stelt dat “wij kunnen waarnemen dat gebeurtenissen niet worden bewerkstelligd door geïsoleerde tussenkomsten van Goddelijke kracht, voor ieder specifiek geval uitgeoefend, maar door de instelling van algemene wetten“. Darwin leek middels dit citaat niet uit te sluiten dat God via de natuurwetten – en dus ook de evolutie – dingen tot stand brengen. “Darwin stelt eigenlijk dat zijn inzichten verzoend kunnen worden met het geloof,” stelt Stefaan Blancke, filosoof aan de Universiteit Gent en auteur van het onlangs verschenen boek ‘De schepping na Darwin‘. Hoewel Darwin er met die quote en de zorgvuldig gekozen bewoordingen in zijn boek – zo wordt er maar één keer gerept over de evolutie van de mens – alles aan doet zijn tijdgenoten die nog zo hangen aan het idee van een schepper niet te schofferen, aanvaardt niet iedereen zijn suggestie. Vooral conservatieve christenen verwerpen resoluut Darwins inzichten. Maar pas aan het begin van de twintigste eeuw is er – met name in de VS – sprake van georganiseerd verzet: het modern creationisme is geboren.

Verschillende smaakjes

Creationisme is er in verschillende ‘smaakjes’. Zo is er het oudeaardecreationisme dat stelt dat de schepping over een periode van miljoenen jaren plaatsvond. Een stuk populairder is het jongeaardecreationisme dat stelt dat de schepping in zes dagen van 24 uur plaatsvond en het leven rond 4000 voor Christus ontstond. “En dan is er nog het Intelligent Design,” stelt Blancke. “Dat is zeer aantrekkelijk voor intellectuele gelovigen, omdat het geloof in een actieve schepper en wetenschap lijkt te verenigen.” Volgens deze opvatting zijn bepaalde kenmerken van het heelal en het leven het beste te verklaren als het werk van een intelligente ontwerper. Elke gelovige – ongeacht zijn of haar religie – kan deze opvatting aanhangen, omdat deze geen uitspraken doet over wie deze ontwerper dan is.

Het modern creationisme
Volgens Blancke moeten we dit modern creationisme vooral zien als een reactie op de modernisering van de samenleving “die de goddelijke natuurwet aan de kant had geschoven om plaats te maken voor allerlei door de mens verzonnen en daarom minderwaardige wetten en rechten”. “Moderne creationisten zijn ervan overtuigd dat God actief de wereld heeft gemaakt en zien daar in de wereld om zich heen bewijs voor,” zo vertelt hij aan Scientias.nl. Dat is vanzelfsprekend lastig te rijmen met de evolutietheorie die de afgelopen anderhalve eeuw is uitgekristalliseerd en waarvoor inmiddels overweldigend bewijs is verzameld. Maar wie denkt dat het modern creationisme inmiddels een stille dood is gestorven, heeft het mis. Zo viert het creationisme nog altijd hoogtij in de VS. “Tweejaarlijkse peilingen laten de voorbije 25 jaar telkens dezelfde cijfers zien,” zo schrijft Blancke in zijn boek. “Ongeveer 40 tot 45% gelooft dat het leven op aarde in zijn huidige vorm is geschapen. 35 tot 40 procent aanvaardt evolutie, maar denkt dat God die stuurt. Slechts 10 tot 15 procent onderschrijft de idee van een puur natuurlijke evolutie.” Maar ook buiten de VS heeft het creationisme in de twintigste eeuw terrein gewonnen. “In Australië en Canada koestert ongeveer 30% van de bevolking creationistische overtuigingen. In Zuid-Korea is het creationisme zo populair dat men zelfs missieposten naar de Verenigde Staten stuurt.” En ook in Latijns-Amerika en Afrika neemt het aantal creationisten – door de opkomst van de evangelische en pinksterkerken – toe. In Europese landen – Turkije even buiten beschouwing gelaten – is de evolutie weliswaar meer geaccepteerd dan in de VS, maar zijn de laatste jaren toch opvallend veel ‘creationistische incidenten’ te melden. “Ik weet niet of het creationisme in Europa terrein wint, maar het is zeker actiever geworden,” vertelt Blancke. En wie denkt dat die activiteiten zich beperken tot achterkamertjes, heeft het opnieuw mis. De incidenten die Blancke in zijn boek aanhaalt om de activiteit van het Europese modern creationisme te onderschrijven, spelen in de landelijke politiek. Zo komt bijvoorbeeld de actie van de voormalige Nederlandse minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen Marie van der Hoeven aan bod. Zij vroeg in 2005 een kamerdebat aan om de ID-theorie op Nederlandse scholen onderwezen te kregen. Het zorgde voor heel wat ophef en haar plannen verdwenen van tafel. En ook collega’s van Van der Hoeven in Italië, Servië, Roemenië en Duitsland brandden zich in de afgelopen jaren de vingers toen ze het openlijk opnamen voor het creationisme of – zoals de Poolse staatssecretaris van Polen in 2006 deed – openlijk hun twijfels uitspraken over de evolutietheorie.

“Omdat we een heel sociale soort zijn, interpreteren we de functies en doelen die we alom menen waar te nemen algauw als de bedoelingen van intentionele wezens”

Ons brein
Het roept een interessante vraag op. Hoe kan het creationisme actiever worden of in bepaalde delen van de wereld zelfs terrein winnen als er zoveel bewijs is dat de evolutietheorie onderschrijft? “De argumenten voor de evolutietheorie worden steeds overtuigender,” bevestigt Blancke. Dat het creationisme toch halsstarrig standhoudt, is deels wellicht te verklaren door de manier waarop ons brein werkt. We vallen ten prooi aan intuïties die het lastiger maken om de evolutietheorie te omarmen, maar de scheppingsverhalen juist in de kaart spelen. Een mooi voorbeeld daarvan is het psychologisch essentialisme. “Die intuïtie fluistert ons in dat organismen een onveranderlijke en onzichtbare kern (een ‘essentie’) hebben die hun ontwikkeling, hun gedrag en hun identiteit bepaalt,” zo schrijft Blancke. Maar: “De aanname dat soorten een onveranderlijke kern hebben, strookt (…) niet met de centrale idee uit de evolutietheorie dat soorten wel degelijk veranderen. Scheppingsverhalen die veronderstellen dat het leven steeds in zijn huidige vorm heeft bestaan, spelen er daarentegen handig op in.” Wat ook niet helpt, is dat wij mensen geneigd zijn om met wat Blancke “een doel-oorzakelijke bril” noemt, naar de wereld te kijken. We zijn geneigd om fenomenen in onze omgeving te verklaren aan de hand van het doel dat ze zouden moeten hebben. “Regen bestaat dan om de planten water te geven,” schrijft Blancke. We zien om ons heen dus overal doelen. “En omdat we een heel sociale soort zijn, interpreteren we de functies en doelen die we alom menen waar te nemen algauw als de bedoelingen van intentionele wezens.” Maar als onze intuïties het creationisme in de hand werken, waarom is het dan in de VS of Turkije meer wijdverspreid dan in Europa? Dat is eenvoudig, aldus Blancke. “In seculiere omgevingen krijgen de intuïties eerder uitdrukking in een andere vorm.” Geen religie, maar spiritualiteit bijvoorbeeld.

Toekomst
We zijn dus vatbaar voor creationistische opvattingen. Maar betekent dat ook dat het creationisme een gouden toekomst wacht? Blancke denkt van niet. De gelovige gemeenschappen zijn niet meer zo gesloten als vroeger, waardoor jongeren steeds eerder in aanraking komen met andere overtuigingen. Bovendien zorgt onder meer het internet ervoor dat informatie niet meer zo gemakkelijk buiten te sluiten valt. Tegelijkertijd komt de evolutietheorie alleen maar steviger in het zadel te zitten. “Er zijn gewoon heel sterke argumenten voor de evolutietheorie en die argumenten worden – bijvoorbeeld dankzij de genetica – alleen maar overtuigender. Vermoedelijk zal het creationisme alsmaar meer terrein prijs moeten geven,” voorspelt Blancke.

Kunnen we afsluitend dan concluderen dat geloof en evolutie écht niet samengaan? “Filosofisch gezien zie ik daar wel enkele problemen, ja,” aldus Blancke. Zo kan Blancke bijvoorbeeld weinig met het idee dat een goddelijk wezen de evolutie stuurt. “Ik kan mezelf lastig inbeelden dat een almachtig en goed goddelijk wezen gebruik maakt van natuurlijke selectie: een mechanisme dat draait om lijden, verspilling en doodslag.” Tegelijkertijd moet hij erkennen dat er genoeg gelovigen te noemen zijn die voor zichzelf een manier gevonden hebben om de evolutietheorie te omarmen. Als voorbeeld haalt hij Kenneth Miller aan. “Een diepgelovige katholiek en een belangrijke evolutiebioloog. Ik heb wel wat vragen bij de manier waarop hij geloof en evolutie samenbrengt, maar voor hem is het blijkbaar acceptabel.” En daar kan Blancke dan ergens toch ook wel weer vrede mee hebben. “Het is beter dat iemand gelovig is en de evolutietheorie op de één of andere manier kan aanvaarden dan dat hij hem helemaal verwerpt.”