boog

In het gas dat rond jonge sterren cirkelt, vinden magnetische stormen plaats. En die stormen kunnen verklaren waarom de jonge sterren veel meer infrarood licht afgeven dan men zou verwachten. Dat blijkt uit een nieuw onderzoek dat een bijna tien jaar oud mysterie oplost.

Rond jonge sterren bevindt zich een schijf bestaande uit gas en stof. De schijf wordt verwarmd door het licht van de ster en gloeit in infrarood licht. Maar toen onderzoekers met behulp van onder meer ruimtetelescoop Spitzer jonge sterren en hun schijven bestudeerden, ontdekten ze iets opmerkelijks. De jonge sterren produceerden meer infrarood licht dan gedacht. Er moest dus nog een bron van infrarood licht zijn. Maar wat was dat dan?

Nu denken onderzoekers eruit te zijn. Op de stofschijf rond jonge sterren ontstaan magnetische ‘boogjes’ die bestaan uit gas en stof. Die ‘boogjes’ absorberen het licht van de jonge ster en gloeien in infrarood. Daarmee zijn zij waarschijnlijk de bronnen van het ‘extra’ infrarode licht dat onderzoekers eerder waarnamen. Het betekent dat jonge sterren omringd worden door schijven die op hun beurt weer gehuld zijn in een soort magnetische atmosfeer. Het idee van zo’n magnetische atmosfeer is niet nieuw. Wat wel nieuw is, is dat deze atmosfeer voor het eerst in verband wordt gebracht met het onverklaarbare infrarode licht dat onderzoekers waarnamen. Wat we in de schijven rond jonge sterren zien gebeuren, is vergelijkbaar met wat er op het oppervlak van de zon gebeurt, waar bewegende magnetische veldlijnen ook leiden tot het ontstaan van ‘boogjes’.

De onderzoekers berekenden ook hoe het licht van de jonge ster de schijf en de boogjes verwarmde. Uit die berekeningen blijkt dat de atmosfeer van de schijf ongeveer net zoveel infrarode straling absorbeert en weer uitstraalt als onderzoekers eerder te veel waarnamen.