Volgens wetenschappers waren de eerste vogels – zoals bijvoorbeeld de archaeopteryx – niet sterk genoeg om met hun vleugels te klapperen. In het beste geval zweefden ze – net als hun voorouders: de kleine dinosaurussen – door de lucht. En zelfs dat zou maar net mogelijk zijn geweest.

De vogels van vandaag de dag hebben sterke vleugels en holle vleugelpennen om in de lucht te blijven. Een wereld van verschil met het verre verleden. Onderzoekers Robert Nudds en Gareth Dyke berekenden de kracht van de vleugels van zeer oude vogels en concluderen dat de vleugels heel zwak en dun waren. In het beste geval waren de vleugelpennen van de dieren net sterk genoeg om een zweefvlucht mogelijk te maken.

De archaeopteryx leefde aan het eind van de Jura, zo’n 140 miljoen jaar geleden. Paleontologen gaan ervan uit dat kleine dinosaurussen uitgerust met veren, de voorouders van de archaeopteryx waren.

Er zijn meerdere theorieën over hoe die evolutie leidde tot de eerste vogel. Volgens één theorie leefden de dinosaurussen in bomen en gebruikten ze hun veren als een soort parachute, waarmee ze door het bos zweefden. Uiteindelijk zouden hun vleugels sterk genoeg zijn geweest om ook echt te vliegen. Dit onderzoek onderschrijft dat.