vooruit

Jarenlang streefde de mensheid naar vooruitgang. Maar inmiddels hebben we zo’n beetje alles wat er te bereiken valt, wel bereikt. De geschiedenis van de vooruitgang nadert haar einde. En nu? Hoe moet de mensheid – die een vooruitgangsgeloof nodig lijkt te hebben – nu verder?

Er is iets geks aan de hand, zo stelt de piepjonge historicus Rutger Bregman aan het begin van zijn boek ‘De geschiedenis van de vooruitgang‘. Als we de internationale ranglijsten moeten geloven, leven wij Nederlanders in een prima land. De beste gezondheidszorg, het veiligste verkeer, de schoonste straten, de hoogste inkomens: Nederland komt sterk in de buurt van de perfectie. Zeker als we dat vergelijken met hoe het vroeger was. Mensen die in de Middeleeuwen leefden, zouden er wellicht een moord voor doen om in het Nederland anno 2013 te leven. Want wat is er een vooruitgang geboekt! Tegelijkertijd zien we ook iets heel anders in ons kikkerlandje: er heerst een gevoel van onbehagen dat iemand uit de Middeleeuwen niet zou kunnen plaatsen. Hoe kunnen we ons in een land dat zulke sprongen vooruit heeft gemaakt nu onbehaaglijk voelen? Sterker nog: we voelen ons niet alleen ontevreden. We verlangen ook naar vroeger. We zijn nostalgisch: vermaken onszelf met muziek uit de vorige eeuw, maken onze foto’s met Instagram en kunnen ons zelfs weer verlekkeren aan stomme films, zo getuige The Artist, één van de best bekeken films van 2011. Het lijkt wel alsof de vooruitgang waar onze voorouders zo lang aan hebben gewerkt ons teleurgesteld heeft. Ons niet gebracht heeft waar we op gehoopt hadden. Hoe kan dat? Bregman gaat in zijn nieuwe boek op zoek naar een antwoord op die vraag. Het is een fascinerende zoektocht waarvoor hij ons meevoert naar het verleden om het onbehagen van het heden te leren begrijpen.

Wat is vooruitgang

Vooruitgang is ‘in the eye of the beholder’ zo stelt Bregman. “Wat mij betreft is vooruitgang gewoon wat de meesten van ons als vooruitgang beschouwen. Een tweepersoons waterbed is dan te verkiezen boven een bedstee met vlooien, geld maakt – tot op zekere hoogte – gelukkiger dan armoede en mensenrechten zijn te verkiezen boven het recht van de sterkste.” Het belangrijkste kenmerk van vooruitgang? Hij is zo goed als onomkeerbeer.

De geschiedenis van de vooruitgang
In het eerste deel van zijn boek schetst Bregman een beeld van de grote geschiedenis van de vooruitgang. Onder anderen de Neanderthalers komen aan bod. Net als de eerste ontdekkingsreizigers, het machtige Rome en de VOC. Natuurlijk wordt de geschiedenis niet alleen gekenmerkt door vooruitgang. Er zijn ook vooruitgangsvallen geweest. In het verleden waren dat vaak oorlogen, tegenwoordig doen gevolgen van welvaart dienst als vooruitgangsval. Want, zoals Bregman het treffend uitdrukt, zoals zo vaak in de geschiedenis van de vooruitgang leiden kortetermijnvoordelen tot langetermijndrama’s. Hij denkt dan bijvoorbeeld aan de opwarming van de aarde. Hoe kunnen we zo’n vooruitgangsval bestrijden? Met vooruitgang. “Om de grootste vooruitgangsval van de eenentwintigste eeuw te overwinnen, de klimaatcrisis, zal de vooruitgang nog veel en veel sneller moeten gaan. Terugkeren lijkt geen optie, want groei is essentieel voor de stabiliteit van onze beschaving. (…) En als de vooruitgangsvallen alsnog te diep blijken, dan is er maar één alternatief: keihard op de rem trappen. Of de trein van vooruitgang ook is uitgerust met een noodrem, weten we niet. We hebben hem in ieder geval nog niet gevonden.”

Vooruitgang als norm
Als we de geschiedenis zo bezien, is vooruitgang van alle tijden. In het prille begin waren we ons van die vooruitgang niet zo bewust. Die vooruitgang werd namelijk ingegeven door een kracht die pas in de negentiende eeuw door ons mensen erkend werd: de evolutie. Maar op een gegeven moment werd vooruitgang de norm, een bewuste keuze. Niet alleen voor de welgestelden. Maar voor iedereen. “Het kost ons nu moeite zich een leven voor te stellen waarin het samenleven nog een eentonige herhaling van hetzelfde is, zoals het leven voor de grote revoluties voortkabbelde,” stelt Bregman. “Eigenlijk is de moderniteit één grote revolutie. Revolutie is de norm geworden.”

boekDag, vooruitgangsgeloof
En dat brengt ons aan het eind van de negentiende eeuw: de belle époque (1890-1914), de periode waarin het vooruitgangsgeloof een hoogtepunt bereikte. “De negentiende eeuw is groots, maar de twintigste zal gelukkig zijn,” zo jubelde Victor Hugo. Maar de trein van de vooruitgang ontspoorde en mensen raakten hun vooruitgangsgeloof kwijt. “Na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog was het bijna onvoorstelbaar dat er ooit heldere geesten waren geweest die in onvoorwaardelijke vooruitgang hadden geloofd.” En toen kwam ook die Tweede Wereldoorlog nog eens met veel ellende op de proppen. Op dat moment moet het geleken hebben alsof het vooruitgangsgeloof echt stierf. Maar het tegendeel bleek waar. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden instanties die de vrede promootten, de Amerikanen gaven de Europese economie een boost en de economische groei die we toen doormaakten, was gigantisch. Het heeft ons gebracht waar we nu zijn: in een land rijker, gezonder en veiliger dan ooit. En wat nu?

Zingeving
Op papier gaat het ons goed. Wist u bijvoorbeeld dat wij Nederlanders het op één na beste pensioenstelsel ter wereld hebben? En dat de werkloosheid hier relatief laag is? Dat we het vijfde exportland van de wereld zijn? En dat Nederlandse kinderen de gelukkigste kinderen ter wereld zijn? Tegelijkertijd heerst er ondanks al die goede dingen een gevoel van onbehagen dat vooral duidelijk wordt als Nederlanders naar de eigen en nationale toestand wordt gevraagd. Het antwoord dat we dan horen, luidt ongeveer als volgt: ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’. Die kloof is er in alle westerse landen, maar nergens is deze groot als hier in Nederland. “Er is een aanhoudend gevoel van crisis en onbehagen,” stelt Paul Dekker, onderzoeker bij het Sociaal Planbureau in het boek. “Zonder dat er echt veel fout gaat, maar ook zonder de verwachting dat het over een tijd weer beter is.” Onze tijd lijkt maar niet in een vooruitgangsgeloof te kunnen voorzien en dat terwijl we dat toch zo hard nodig hebben.

Zo snel kan het gaan

De vooruitgang is de afgelopen duizenden jaren heel snel gegaan. Wist u bijvoorbeeld dat de mens zo’n 99 procent van zijn bestaan in de Steentijd heeft geleefd? Het kostte ons drie miljard jaar om van steen naar geslepen steen te gaan. Drie miljoen jaar om van geslepen steen bij gesmeed ijzer uit te komen en slechts 3000 jaar om van gesmeed ijzer bij genoeg atoombommen om de wereld te vernietigen uit te komen.

Iconoclastische utopie
“De moderne wereld kampt met een zingevensprobleem van kolossale proporties. Eigenlijk is dat een luxeprobleem, mede mogelijk gemaakt door de enorme toename aan welvaart en vrije tijd.” We zullen dus op zoek moeten naar een nieuwe zingeving, een nieuw vooruitgangsgeloof, een nieuw doel, een utopie. Bregman heeft wel een idee. Maar heel concreet is het niet. “Ik denk dat we de vooruitgang niet moeten zoeken in het geluk zelf, maar in wat erachter zit. (…) Wat deze tijd nodig heeft, is een vooruitgangsgeloof dat ons in staat stelt het geluk weer in de verwachting te zoeken, in plaats van in het bevroren heden of in onze nostalgische herinneringen aan een vervlogen verleden.” Bregman denkt aan een iconoclastische utopie. “Zij weigert een precies beeld van de toekomst te geven. Het gaat dan ook niet langer om de bestemming, maar om de richting.” Nu roept het woord ‘utopie’ wellicht wat vreemde gedachten bij u op. We associëren het vaak met fantasten en dromers. Maar ook zij kunnen succesvol zijn, zo toont Bregman aan de hand van enkele voorbeelden aan. Hij denkt aan Martin Luther King, het ultieme voorbeeld van een dromer, die de wereld veranderde. Of aan John Stuart Mill die vrouwenemancipatie belangrijk vond: zijn tijdgenoten konden er om lachen, maar kijk nu eens. “Droom en werkelijkheid hebben elkaar nodig,” stelt Bregman. “Utopisch denken hoeft niet tot een nieuw economisch bestel te leiden. Voorlopig hoeft het ons alleen maar af te helpen van de obsessie met economische groei en de blindheid voor wat niet meetbaar is.” In andere woorden: de weg naar de utopie inslaan, is belangrijker dan de utopie bereiken.

Dromen
Het beeld dat Bregman schept, is misschien wat somber. Maar er is geen reden om met de handen in het haar te zitten. Want is het feit dat we het ontbreken van de zingeving constateren niet al een soort van vooruitgang? Nu is het alleen tijd om er ook iets mee te gaan doen. Maar wat? Bregman noemt het verbinden van een utopische passie met de realiteit van elke dag de opdracht van onze tijd. “Want een generatie die niet wil dromen, die verliest het recht op een betere wereld.”

Het pleidooi van Bregman is indrukwekkend en fascinerend. Hij is een boeiende gids die de lezer in nog geen 400 pagina’s langs de wereldgeschiedenis, de problemen van onze moderne tijd en een mogelijke oplossing voert. En daarmee is het boek een knappe prestatie waar mensen uit alle lagen van de bevolking hun voordeel mee kunnen doen.

Nieuwsgierig naar het boek van Bregman? Bestel het direct via Bol.com!