Dat farao’s – als goden op aarde – intensief met religie bezig waren, is duidelijk. Maar hoe zat dat met de gewone man? Was hij ook zo diepgelovig?

De oude Egyptenaren hielden er honderden goden en godinnen op na. Veel van die goden ontmoeten we in de machtige graftombes die de farao’s en hoge bewindslieden voor zichzelf lieten bouwen. Wandschilderingen en reliëfs laten zien hoe overledenen goden ontmoeten en vereren en laten er eigenlijk geen twijfel over bestaan: religie speelde een sleutelrol in het leven van de Egyptische elite. Maar hoe was dat voor de gewone Egyptenaren? Was religie voor hen net zo belangrijk? En hoe kwam religie in hun leven tot uiting? En was er ook ruimte voor twijfel of zelfs ongeloof? We vroegen het Tanja van der Zon, projectleider van de tentoonstelling ‘Goden van Egypte‘ die momenteel in het Rijksmuseum voor Oudheden te zien is. “Het leven van de gewone Egyptenaren was doordrenkt met religie en werd voor een groot deel bepaald door wat de goden van hen wilden,” zo vertelt zij.

De farao als plaatsvervanger van de goden
Over de bijzondere relatie tussen de farao en de Egyptische goden is al veel gezegd en geschreven. Dat is logisch; de tempels en graven en andere imposante gebouwen die farao’s achterlieten, getuigen stuk voor stuk van hun geloofsleven. Dat geloofsleven was in veel opzichten niet te vergelijken met dat van de gewone Egyptenaar. “Farao’s waren afgevaardigd door de goden,” vertelt Van der Zon. “De Egyptische goden streefden naar orde en regelmaat in de kosmos – ook wel ma’at genoemd – en de farao moest dat, als plaatsvervanger van de goden op aarde, zien te regelen.” En om dat te kunnen bewerkstelligen, vervulde de farao eigenlijk meerdere functies. Hij was niet alleen koning, maar ook opperbevelhebber van het leger, opperrechter én opperpriester van iedere tempel in Egypte. “De Egyptenaren geloofden dat hun goden niet alleen in de hemel leefden, maar dat de ziel van de goden ook naar de aarde kon trekken en dan bij voorkeur zijn intrek nam in de tempel.” Geen wonder dat er in heel Egypte talloze van die tempels verrezen. “In het diepste deel van die tempels was een godenbeeld te vinden,” vertelt Van der Zon. Als opperpriester mocht eigenlijk alleen de farao dat godenbeeld bezoeken. Maar hij had natuurlijk niet voldoende tijd om al die tempels af te gaan en de godenbeelden de aandacht te geven die zij vereisten. Daarom stelde hij priesters aan die dat werk voor hem deden. “Zij wasten dagelijks het godenbeeld, kleedden het aan en brachten offers.”

Op de zijkant van de kist van de Amonpriester Amenhotep staat de schepping van hemel en aarde afgebeeld. De luchtgod Sjoe tilt de met sterren bezaaide hemelgodin Noet omhoog. Onder ligt de aardgod Geb, groen afgebeeld omdat hij met planten is begroeid.
Collectie en foto © Rijksmuseum van Oudheden, Leiden (inv. AMM 2-a).

Gewone mensen konden natuurlijk niet om die machtige tempels heen. Maar zij mochten er – in tegenstelling tot de farao en de priesters – niet naar binnen gaan. “Ze mochten de tempel wel naderen en aan de achterzijde van de tempel offers afgeven bij de priesters, maar ze mochten de godenbeelden niet bezoeken.” Gelukkig waren goden in de beleving van de oude Egyptenaren niet alleen in tempels te vinden. “De Egyptenaren geloofden dat hun goden zich ook konden manifesteren in natuurverschijnselen zoals water (de Nijl), bomen, bergen en zelfs dieren. En die uitingen van de goden konden de gewone Egyptenaren natuurlijk wel zien en daar hadden ze een heilig ontzag voor.”

Uit de Egyptische beschaving zijn meer dan honderden typen amuletten bekend, variërend van godenfiguren tot dierenfiguren, lichaamsdelen, gebruiksvoorwerpen en hiërogliefen, afhankelijk van hun functie en periode. In het oude Egypte geloofde men dat ze levenden en doden tegen gevaren konden beschermen of bijzondere macht verschaffen. De hier afgebeelde amuletten zijn vermoedelijk allemaal afkomstig uit de Late Periode (722-332 v. Chr.).
Collectie en foto © Rijksmuseum van Oudheden.

Altaar
Een tempelbezoek zat er dus niet in voor de gewone Egyptenaar. Maar dat wil niet zeggen dat de afstand tussen de gewone Egyptenaren en hun goden enorm was. Voor hen waren de goden juist alomtegenwoordig. In de huizen van oude Egyptenaren zijn verschillende altaartjes teruggevonden die ervan getuigen dat zij hun goden gewoon thuis vereerden. En die altaartjes verraden dat de ene god(in) onder de gewone Egyptenaren populairder was dan de andere. “Een god die we bijvoorbeeld veel tegenkomen, is Tawaret. Dit is een nijlpaardgodin die vaak zwanger en met vrouwenborsten en een krokodillenstaart werd afgebeeld.” Een bijzondere verschijning die – volgens de Egyptenaren – beschermde tijdens de zwangerschap en geboorte en veel tijdens bevallingen werd aangeroepen. “Hathor – een godin die vrouwen en kinderen beschermde – was eveneens populair. Net als Bes: een angstaanjagende dwerggod die waakte over huis en haard en met name op de slapenden paste.” Ook Renenoetet – de godin van de vruchtbaarheid en de oogst – was vaak op de Egyptische altaartjes te vinden.

Deze halsketting is geregen uit kralen en diverse beschermende en kwaad afwerende amuletten: Horusogen, scarabeeën, vissen, vliegen, een ornament met Hathorkoe, panterkopjes, en een hanger in de vorm van de dwerggod Bes.
Collectie en foto © Rijksmuseum van Oudheden, Leiden (inv. AO 4c).

Goden waren overal
Archeologische vondsten laten zo iets zien van hoe de gewone Egyptenaren met religie bezig waren. Maar hoe ze hun geloof werkelijk beleefden? Dat is eigenlijk niet meer te achterhalen. Op basis van de altaartjes kunnen we daar echter wel – heel voorzichtig – over speculeren. Zo zien we dat de gewone Egyptenaren sterk gericht waren op de goden die een grote invloed konden uitoefenen op hun leven. “Het laat zien dat de religie deels gebaseerd was op hoop, ingegeven door angst” denkt Van der Zon. Hoop op een goede oogst, hoop op goede gezondheid voor de kinderen, dat hun niet iets overkomt, hoop dat een bevalling goed gaat. “En het is die mengeling van hoop en angst die ze ertoe aanzet om deze goden (die bescherming konden bieden tegen het kwaad, red.) te vriend te houden.” Dat laatste deden ze niet alleen door offers naar de tempels te brengen en altaartjes op te richten; de goden waren op tal van andere wijzen prominent aanwezig in het leven van de Egyptenaren. Zo zijn er talloze sieraden teruggevonden die de oude Egyptenaren droegen met amuletten en afbeeldingen van beschermende goden. En zelfs meubilair herinnerde de Egyptenaren aan hun afhankelijkheid van de goden. Zo sliepen sommigen op bedden met beddepoten in de vorm van de god Bes. Kortom: religie was eigenlijk overal. Van der Zon ziet in de oude Egyptische samenleving dan ook weinig ruimte voor ongeloof. “Het leven was doordrenkt van de goden. Overal hadden de Egyptenaren een god voor en ze leefden ook echt samen met die goden. Voor ongeloof is – voor zover ik weet – nooit een aanwijzing gevonden. Wel is er een farao geweest – farao Achnaton – die het polytheïsme inruilde voor het monotheïsme; hij wilde dat alleen Aton (de zonnegod, red.) aanbeden werd. Maar dat is na het overlijden van Achnaton snel weer teruggedraaid.”

Hiernamaals
Er zijn zeker verschillen in de wijze waarop de farao en zijn onderdanen met religie bezig waren; de farao ontleende er zijn autoriteit aan, de gewone Egyptenaar was ervan afhankelijk. Maar over het algemeen mochten de gewone Egyptenaren hetzelfde van hun goden verwachten als de machtige farao: bescherming, voorspoed én een eeuwig leven. Want het hiernamaals dat zo’n prominente rol speelt in de koninklijke graftombes was in principe ook voor de gewone Egyptenaar weggelegd. Alleen de reis ernaartoe was misschien wat lastiger. “Als je doodging, maakte je een reis in het hiernamaals waar je vele obstakels en gevaren moest overwinnen om uiteindelijk in de Onderwereld terecht te komen. Als je geluk had, kreeg je in je graf een dodenboek mee.”

Het dodenboek van Padichonsoe. Een dodenboek is een soort handleiding voor de reis naar het hiernamaals. Padichonsoe staat er twee keer op afgebeeld. Links offert hij twee zalfvazen aan de god Osiris. Op de offertafels voor Osiris liggen heerlijk geurende blauwe lotusbloemen. De hiërogliefen bovenaan geven uitleg: “Padichonsoe, de opzichter van het tempelterrein van Amon, voert het rituele zalfoffer uit met twee zalfvazen voor Osiris.”
Collectie en foto © Rijksmuseum van Oudheden.

Dat dodenboek beschreef niet alleen de route die je moest volgen tijdens de lange en gevaarlijke reis door het hiernamaals, maar bevatte ook wachtwoorden die onderweg gevraagd konden worden en antwoorden op lastige vragen die onderweg gesteld konden worden. De welgestelde Egyptenaren konden zich zo’n dodenboek veroorloven, maar de gewone Egyptenaren moesten het vaak zonder doen. Zodra een gewone Egyptenaar de lange reis door de onderwereld had afgelegd, wachtte hem echter hetzelfde lot als de farao. “Men kwam uit bij Osiris en daar werd vervolgens het hart gewogen. Als je goed geleefd had, was je hart lichter dan een veertje en mocht je eeuwig bij Osiris verblijven in de Onderwereld. Of je ziel kon meevaren in de boot van de zonnegod om langs de hemel te reizen en vandaar een blik te werpen op je nabestaanden. Was je hart te zwaar door de zonden die je had begaan, dan werd het opgegeten door een monster en ging je voorgoed verloren.”

Deze prachtige afbeelding laat zien hoe het hart van een overledene gewogen wordt. Het mag niet zwaarder zijn dan het veertje dat aan de andere zijde in de weegschaal ligt. Helemaal rechts zie je ook het monster dat het hart zal verorberen als het te zwaar is. Afbeelding: British Museum (via Wikimedia Commons).

Het verlangen naar stabiliteit, voorspoed en een eeuwig leven lijkt een drijvende kracht achter het Egyptische geloof te zijn geweest. En ergens zou je kunnen concluderen dat de Egyptische religie het schoolvoorbeeld van een ‘selffulfilling prophecy‘ is. “Zolang de farao gezien werd als een god op aarde, een opperrechter en priester die aangesteld was om de maatschappij in stand te houden, was er sprake van een stabiele samenleving,” vertelt Van der Zon. Onder het toeziend oog van farao’s en goden kon het machtige Egyptische rijk duizenden jaren standhouden en evolueren tot een complexe en invloedrijke cultuur waar zelfs Alexander de Grote en keizer Augustus zich over verbaasden. “Zij raken ook gefascineerd door de Egyptische goden en nemen ze mee naar Griekenland en Rome. Maar op hun beurt weten de Griekse en romeinse goden – niet veel later gevolgd door het monotheïstische Christendom en Islam – ook de weg naar Egypte te vinden. Het is het begin van het einde voor de Egyptische religie. “Er ontstaan mengvormen en steeds minder mensen hangen de polytheïstische Egyptische religie aan.” Maar helemaal verdwijnt de Egyptische religie niet. “Nog steeds wordt inspiratie geput uit de Egyptische mythologie, bijvoorbeeld door de vrijmetselaars en occulte en esoterische bewegingen. En namen van Egyptische goden komen we nog regelmatig tegen op commerciële producten en in de populaire cultuur van muziek en film, games, strips en science fiction. In die zin is de Egyptische religie dan ook nog steeds springlevend.”