internet

Wie aan wetenschappelijk onderzoek denkt, denkt wellicht aan laboratoria, proefpersonen, reageerbuisjes en petrischaaltjes. Maar anno 2013 kan de wetenschap ook een heel ander gereedschap benutten: het internet.

We brengen steeds meer tijd online door. Het begint ‘s ochtends vroeg al als we onze mail checken en snel door onze Twitter-tijdlijn scrollen. Velen duiken vervolgens op het werk of op school weer achter de pc, om in de pauze het mobieltje erbij te pakken en de laatste berichten op Facebook te checken. Maar we nemen niet alleen informatie tot ons. We voegen zelf ook informatie toe. We laten onze vrienden op Facebook weten hoe we ons voelen en wat we aan het doen zijn, we houden een blog bij en twitteren actief. Het internet is niet alleen een deel van ons leven geworden. Ons leven vindt deels online plaats. Het is niet zo gek dat ook onderzoekers graag hun toevlucht nemen tot het internet. Het is tenslotte de ultieme plek om mensen te benaderen: wetenschappers gebruiken het wereldwijde web dan ook graag om proefpersonen te verzamelen of om vragenlijsten te verspreiden.

Verder
Maar de laatste tijd gaan steeds meer onderzoekers veel verder dan dat. Ze gebruiken bepaalde sites als databanken en trekken op basis van die data conclusies die anders pas na vele jaren arbeidsintensief onderzoek (wereldwijd, onder grote groepen proefpersonen) zouden kunnen worden getrokken.

Afbeelding: Travelin' Librarian (cc via Flickr.com).

Afbeelding: Travelin’ Librarian (cc via Flickr.com).

Twitter
Een mooi voorbeeld is dit onderzoek waarbij wetenschappers de Twitter-updates van mensen gebruiken om iets te zeggen over het geluksgevoel van een grote groep mensen. De onderzoekers gaven een groep vrijwilligers de opdracht om een score aan een aantal woorden te hangen: hoe sterker een woord samenhing met een geluksgevoel hoe hoger de score. Een woord als ‘lach’ kreeg gemiddeld een 8,5, terwijl een woord als ‘terrorist’ het met een 1,3 moest doen. Daarna verzamelden de onderzoekers de tweets van 63 miljoen Twittergebruikers wereldwijd en haalden hier 46 miljard woorden uit. Al die woorden kregen een score die gebaseerd was op de score die een groep vrijwilligers eerder aan de meest uiteenlopende woorden hadden gehangen. Omdat van elke tweet bekend is wanneer en waar deze is geplaatst, konden de onderzoekers precies achterhalen hoe gelukkig mensen op een bepaald moment en op een bepaalde plek waren. Zo bleken mensen over het algemeen in het weekend het gelukkigst te zijn en op maandag en dinsdag het ongelukkigst. De onderzoekers gaven zelf aan tijdens hun studie het idee te hebben dat ze meegluurden over de schouder van de samenleving. Want dat is het grote voordeel van Twitter: elke demografische groep is er vertegenwoordigd: jong, oud, arm, rijk, etc. Natuurlijk zijn er ook wel andere manieren om het geluksgevoel van een grote, diverse groep te achterhalen, maar deze kunnen in meerdere opzichten niet tippen aan Twitter, zo stellen de onderzoekers. Als u mensen op de man af vraagt of ze gelukkig zijn, vertellen ze vaak niet de waarheid. Bovendien kunt u die vraag maar aan een beperkt aantal mensen stellen: een paar duizend misschien, maar zeker geen 63 miljoen mensen wereldwijd. Twitter kan ons een oprechter, completer en bovendien realtime beeld van het geluksgevoel geven, zo stellen de onderzoekers. “We krijgen een idee van de gezamenlijke expressie van miljoenen mensen,” stelt onderzoeker Chris Danforth. “En dat terwijl ze op een heel natuurlijke manier communiceren.”

Wat kan dokter Google ons vertellen over bijwerkingen? Veel, zo blijkt uit onderzoek.

Wat kan dokter Google ons vertellen over bijwerkingen? Veel, zo blijkt uit onderzoek.

Bijwerkingen
En dit onderzoek staat niet op zichzelf. In maart verscheen dit onderzoek in het blad Journal of the American Medical Informatics Association. In deze studie tonen onderzoekers aan dat zoekwoorden kunnen helpen om bijwerkingen van medicijnen op tijd op te sporen. De onderzoekers richtten zich op twee medicijnen: pravastatine en paroxetine. We weten inmiddels dat een combinatie van deze stoffen ervoor kan zorgen dat mensen een te hoge bloedglucosespiegel krijgen. De onderzoekers verzamelden zoekwoordencombinaties die mensen voordat bekend werd dat deze stofjes samen voor gezondheidsproblemen kunnen zorgen, invoerden. Ze keken daarbij met name naar hoe vaak mensen één of beide medicijnen in combinatie met de symptomen van een te hoge bloedglucosespiegel (vaak moeten plassen, uitdroging, slecht zicht, etc.) in de browser intikten. Zo ontdekten de onderzoekers dat mensen beide medicijnen opvallend vaak in combinatie met één van de symptomen intikten. Het wijst erop dat mensen die deze medicijnen gebruikten, last hadden van dat symptoom. Want wat gaat u doen als u net een nieuw medicijn voorgeschreven hebt gekregen en opeens wel heel vaak naar de wc moet? Precies: u gaat het googlen. “Bijwerkingen zorgen voor hoge ziektecijfers en sterfte en worden vaak pas ontdekt nadat een medicijn op de markt komt,” zo schrijven de onderzoekers. “Wij stelden de hypothese op dat internetgebruikers middels hun online zoektocht naar informatie al vroeg aanwijzingen kunnen verstrekken over bijwerkingen.” En dat lijkt inderdaad te kloppen. Door zoekactiviteiten van mensen te analyseren, kunnen we bijwerkingen van bepaalde medicijnen dus sneller opsporen. Maar de aanpak is ook goedkoper dan het bijhouden van een elektronisch dossier met daarin alle ervaringen van patiënten die het medicijn voorgeschreven hebben gekregen.

Griep. Foto: Sergio Alvarez.

Griep. Foto: Sergio Alvarez (cc via Flickr.com).

Voorzichtig
Dat het online onderzoek voordelen heeft, moge duidelijk zijn. Het levert onder meer snel resultaten op en is goedkoop. Maar dat wil niet zeggen dat de traditionele vorm van wetenschap bedrijven (gewapend met vragenlijsten, experimenten, enzovoort) overbodig wordt. Want als het om internet gaat, blijft voorzichtigheid geboden. Dat bleek enkele jaren geleden nog, toen Google Flu Trends werd gelanceerd. Het initiatief is gebaseerd op het feit dat mensen die zich niet lekker voelen, vaak gaan googlen om meer te weten te komen over wat er met ze aan de hand is. Geveld door een griepje zal er vaker gegoogled worden op onderwerpen die met griep te maken hebben. Denk aan koorts of spierpijn of hoesten. In 2009 stelden onderzoekers vast dat er een verband is tussen het aantal mensen dat zoekwoorden intypt die te maken hebben met de griep en het aantal mensen dat daadwerkelijk de griep heeft. Door te kijken naar de zoekwoorden kunnen onderzoekers dus iets zeggen over hoeveel mensen de griep hebben en omdat Google ook bijhoudt waar op welk woord gezocht wordt, kan ook de verspreiding van de griep in kaart worden gebracht. Klinkt als een waterdicht systeem, maar dat is het niet. Zo overschatten wetenschappers op basis van Google Flu Trends de griep begin dit jaar flink. De reden? Media besteedden veel aandacht aan de vroege uitbraak van de griep en mensen gingen er massaal op googlen, ook al hadden ze de symptomen niet. Natuurlijk leert Google daarvan en worden de algoritmes aangepast, maar het laat wel zien dat we voorzichtig moeten zijn met wat het internet ons vertelt.

Conclusies gebaseerd op online onderzoek zouden dan ook altijd een aanvulling moeten zijn op traditioneel onderzoek en (in ieder geval voorlopig) niet op zichzelf mogen staan. Toch moeten we het online onderzoek niet direct afschrijven. Daarvoor biedt het te veel geweldige mogelijkheden. Want eigenlijk is het internet tenslotte één enorme databank die – mits op de juiste wijze gebruikt – ons kan helpen om bepaalde patronen of effecten die in kleine groepen proefpersonen zo lastig te detecteren zijn, op het spoor te komen. Vervolgonderzoek zal vervolgens uit moeten wijzen of die patronen en effecten ook in het ‘echte leven’ overeind blijven.