De overheid moet nu aan de slag met inmiddels waarschijnlijk allang niet meer haalbare klimaatdoelen.

Spannend was het zeker, deze vrijdagochtend in de rechtbank in Den Haag. Voor de derde keer stond de stichting Urgenda lijnrecht tegenover de Nederlandse Staat. En de inzet was hoog. Want zou het hoogste rechtsprekend orgaan Urgenda voor de derde keer in het gelijk stellen en daarmee het vonnis van twee eerdere rechtbanken bekrachtigen en de overheid dwingen om de uitstoot tegen het eind van 2020 met maar liefst 25% terug te dringen (t.o.v. 1990)? Of werd de Staat – weliswaar voor het eerst – in het gelijk gesteld en hadden de eerdere rechters de wet op onjuiste wijze toegepast en worden daarmee ook hun vonnissen vernietigd? Om iets over elven klonk het verlossende woord: het cassatieverzoek van de Staat wordt verworpen.

De motivatie
Na de uitspraak gaf de Hoge Raad ook een samenvatting van de motivatie die tot het oordeel leidde. In die motivatie noemen de rechters allereerst de gevaren van klimaatverandering (die zich voor een deel al voordoen) en de levens, het welzijn en de woonomgeving van velen (kunnen) bedreigen. Wereldwijd, maar ook in Nederland. Dat maakt klimaatverandering tot een bedreiging voor de rechten van de mens. En op basis daarvan mag je verwachten dat de overheid zijn verantwoordelijkheid neemt en de burger tegen die gevaren in bescherming neemt. Dat heeft Nederland op papier ook gedaan door een handtekening te zetten onder het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties, dat erop gericht is de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer te beperken. “Het verdrag berust op het uitgangspunt dat alle aangesloten landen maatregelen moeten treffen om klimaatverandering te voorkomen, in overeenstemming met ieders specifieke verantwoordelijkheden en mogelijkheden,” zo stellen de rechters. De Staat kan dus niet schermen met het idee dat Nederland maar een kleine speler is in een grote, vervuilende wereld en daarom geen of minder maatregelen hoeft te nemen om de uitstoot terug te dringen. “De Staat is dan ook verplicht om, overeenkomstig zijn aandeel, de uitstoot van broeikasgassen vanaf zijn grondgebied te verminderen. Deze verplichting voor de Staat om ‘het zijne’ te doen berust op de art. 2 en 8 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.), omdat een ernstig risico bestaat dat een gevaarlijke klimaatverandering plaatsvindt die het leven en het welzijn van velen in Nederland bedreigt.” Maar wat is dan precies ‘het zijne’? Een reductie van 25 tot 40 procent van de uitstoot in 2020 (ten opzichte van 1990), zo stellen de rechters. Ze baseren die uitspraak onder meer op “breed gedragen inzichten in de wetenschap en internationaal aanvaarde standaarden”. “Samengevat komt het oordeel van de Hoge Raad erop neer dat het door de rechtbank gegeven en door het hof bekrachtigde bevel aan de Nederlandse Staat om de uitstoot van broeikasgassen per eind 2020 met minstens 25% terug te brengen ten opzichte van 1990, in stand blijft,” zo stellen de rechters van de Hoge Raad, die geen andere mogelijkheid zien dan te oordelen “dat de Staat verplicht is die reductie te behalen, vanwege het risico van een gevaarlijke klimaatverandering die ook de ingezetenen van Nederland ernstig kan treffen in hun recht op leven en welzijn.”


De Klimaatzaak: van rechtszaak naar hoger beroep
En daarmee is een einde gekomen aan een jarenlange, slepende rechtszaak die in 2012 door de toen nog vrij onbekende stichting Urgenda – gesteund door zo’n 900 mede-eisers – werd aangespannen. Volgens Urgenda deed de Staat te weinig om klimaatverandering tegen te gaan en daarom wilde de stichting bij de rechter afdwingen dat de Staat de uitstoot van de broeikasgassen in 2020 met 25% terugdringt (ten opzichte van 1990). Die eis kwam niet zomaar uit de lucht vallen; enkele jaren eerder had de Nederlandse overheid – vergezeld door alle industriële landen aangesloten bij het Klimaatverdrag van de VN – zelf al verklaard dat het noodzakelijk was om de uitstoot tegen 2020 met 25 tot zelfs 40% terug te dringen. Maar daar is dus duidelijk weinig van terecht gekomen. In 2015 boog de rechter zich over de eis van Urgenda en stelde de stichting in het gelijk: de Staat deed te weinig om klimaatverandering tegen te gaan en schoot daarmee tekort in de zorg voor haar burgers. Daarop ging de Staat in Hoger Beroep. De uitspraak volgende in 2018 en opnieuw werd Urgenda in het gelijk gesteld en kreeg de overheid de opdracht om de uitstoot tegen 2020 met minstens 25% terug te dringen.

..en van hoger beroep naar cassatie
Daar liet de Nederlandse Staat het niet bij zitten. En kort na de uitspraak liet de Staat weten in cassatie te gaan. Dat betekent dat er beroep was aangetekend bij de Hoge Raad. Dit beroep onderscheidt zich van het Hoger Beroep dat de Staat eerder aanspande, doordat de Hoge Raad de zaak niet zozeer inhoudelijk beoordeelt, maar puur kijkt naar de wijze waarop de wet is toegepast. Waar de Staat op hoopte, is dat de Hoge Raad zou vaststellen dat er sprake is van een schending van de Trias Politicia of driemachtenleer. Volgens deze theorie is het belangrijk dat de drie machten – te weten de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht – strikt van elkaar gescheiden blijven. Volgens de Staat is daar in de Klimaatzaak geen sprake van, omdat de rechter – door het afdwingen van een scherper klimaatbeleid – min of meer op de stoel van de politicus gaat zitten.

“Wij vragen de rechter alleen om de burger te beschermen”

Marjan Minnesma, directeur van Urgenda, liet eerder al weten dat de Klimaatzaak in haar optiek zeker geen schending van de trias politica omhelst. In gesprek met Scientias.nl legde ze uit dat de rechter de 25% reductie die Urgenda eist niet heeft bedacht. Die komt uit de koker van de overheid zelf. Bovendien laten zowel de rechter als Urgenda zich niet uit over de manier waarop de politiek die reductie moet bewerkstelligen. Want dat is – inderdaad – een zaak van de wetgevende macht. “Wij vragen de rechter alleen om de burger te beschermen,” zo vertelde Minnesma in 2018 aan Scientias.nl. “Het is een civiel-juridisch vraagstuk. Als we de uitstoot niet fors terugdringen, is dat een aantasting van de rechten van de mens en dat is een onrechtmatige daad. En daar gaat de rechterlijke macht over.” Urgenda wist zich in die redenering al gesteund door rechters van twee conservatieve rechtbanken. En nu schaart ook de Hoge Raad zich dus achter het pleidooi van Urgenda.

Is het nog haalbaar?
Het betekent dat het eerdere vonnis gehandhaafd blijft en er nog steeds van de Staat geëist wordt om de uitstoot eind 2020 met 25% te hebben teruggedrongen. Maar is dat – na jaren juridisch getouwtrek – nog wel haalbaar? Recente cijfers wijzen uit dat de uitstoot van Nederland eind 2018 zo’n 15% lager lag dan in 1990. Dat percentage is nog een heel eind verwijderd van de 25% die Urgenda nu ook via de Hoge Raad heeft afgedwongen. Het roept de vraag op of de eis van Urgenda na jaren juridisch getouwtrek nog wel haalbaar is. We vroegen het eerder deze week aan energie-expert Gert-Jan Kramer, verbonden aan de Universiteit Utrecht. En hij was vrij duidelijk. “Het is eigenlijk niet haalbaar. Misschien alleen met cosmetische trucs, waarvan de belangrijkste is het sluiten van elektriciteitscentrales en importeren van stroom uit het buitenland. Om de reductie van 25% te halen moet alle extra vermindering uit de elektriciteitssector komen. Die moet van 45 Mton in 2018 naar 25 Mton in 2020. Dat is vrijwel, zo niet volledig, onvoorstelbaar.”

Wat is de uitspraak van de Hoge Raad en alle rechters voor hen dan nog waard? Misschien wel meer dan je zou denken. Want de hele kwestie drukt ons opnieuw met de neus op de feiten: er moet echt iets gebeuren, willen we nog in staat zijn om de opwarming van de aarde te beperken. En wat de rechter nu feitelijk stelt, is dat de overheid zijn verantwoordelijkheid moet nemen. En dat is misschien nog wel veel belangrijker dan die 2020-doelstelling waar Urgenda in beginsel op uit was. “Het doel moet zijn om op een doelmatige en door de bevolking gedragen manier, de emissies zo snel mogelijk duurzaam terug te brengen,” stelt Kramer. De overheid heeft daarin duidelijk een voortrekkersrol en wordt nu aangemaand haast te maken. Streven naar onhaalbare doelen is natuurlijk zinloos. Maar kijken hoever je kunt komen en daar vervolgens ook na 2020 met gezwinde spoed op voortborduren is zonder meer een stap in de goede richting. En misschien wel het beste waarop we nu nog kunnen hopen.