Aan goden geen gebrek bij de Maya’s. Voor vrijwel elk façet van hun bestaan hadden ze een god. En al die goden hadden hun eigen kenmerken, nukken en wensen. Geen wonder dat met name de priesters en elite daar hun handen vol aan hadden. Toch deden ze het met alle liefde, want de Maya’s wisten ook wel: voor wat, hoort wat.

In het begin was er op de hemel en de zee na helemaal niets. De goden van de hemel besloten daar verandering in te brengen en gingen in conclaaf met de goden van de oceaan. Ze kwamen overeen dat ze vereerd wilden worden, maar ze waren niet van plan om elkaar te gaan vereren en dus moest er een derde persoon bij komen. Om dat mogelijk te maken, creëerden de goden een plaats waar deze kon wonen. Ze hoefden het woord ‘aarde’ maar uit te spreken en direct was het er. De goden gingen toen dieren maken. Maar dat bleken niet zulke goede vereerders te zijn: ze krijsten maar wat. Daarop probeerde men de eerste mens te maken. Deze bestond uit modder en sprak alleen maar wartaal. Om dat op te lossen, maakten de goden een mens van hout. Dat leek perfect, maar de houten mens voelde niets en kon zijn scheppers dus ook niet oprecht vereren. De goden verwoestten de mensen die ze gemaakt hadden en deden een nieuwe poging. Ze maalden mais fijn, voegden er water aan toe en zo ontstond de mens. Deze kon de goden goed en oprecht vereren.

Schepping
Het scheppingsverhaal van de Maya’s is bijzonder. De Maya’s dateerden het zelf op de datum 13.0.0.0.0.4 Ahau 8 Cumha. Wie deze combinatie van twee Maya-kalenders omrekent, komt uit op 13 augustus 3114 voor Christus. Toen begon het allemaal. Met dank aan het narcisme van de goden.

Wereld
De Maya’s hadden een bijzonder beeld van de wereld. De aarde was in hun beleving plat en vierkant. Boven hun hoofden bevond zich het hemelrijk en onder hen het dodenrijk. Er zijn verslagen waarin te lezen valt dat het hemelrijk uit dertien lagen bestaat met elk een eigen god. De onderwereld zou negen ‘verdiepingen’ tellen. In het midden van dit alles stond de wereldboom. Op de hoeken van de aarde stonden vier bomen. Deze zorgden ervoor dat de hemel niet naar beneden viel. De god Pauahtun hielp waar nodig een handje door de hemel te ondersteunen. De aarde maakte volgens de Maya deel uit van een groter geheel. Hoe de planeet zich precies tot de rest verhield, wisten ze niet goed. Sommigen dachten dat de aarde op de oerzee dreef. Anderen vermoedden dat een enorme schildpad de aarde op zijn rug had genomen en zo door de oerzee zwierf.

Boven: de maangodin. Midden: de zonnegod. Onder: de maisgod (links) en Chac (rechts)

Goden
De Maya’s moesten op deze vierkante aarde dus hun goden vereren. Een hele klus; het pantheon was omvangrijk. Een greep uit de belangrijkste goden:
De god van de dag werd – hoe kan het ook anders – belichaamd door de zon. De Maya’s noemden deze god Kinich Ahau wat letterlijk ‘heer met het gezicht van de zon’ betekent. Het volk bedacht dat deze god elke ochtend opnieuw geboren werd, gedurende de dag veranderde in een oude man en zo de cyclus van een mensenleven dagelijks meemaakte. In de nacht verbleef de zon in het dodenrijk. Daar vocht deze met een jaguar. Gelukkig won de zon elke keer weer, zodat deze toch kon opkomen.
De god van de nacht werd belichaamd door een vrouw: de maangodin. Zij werd meestal naakt afgebeeld.
En dan was er ook nog Chac. Deze god ging over de regen, donder en bliksem. Daarmee was hij een god die men graag zag komen (vanwege de regen), maar even vaak graag zag gaan (vanwege het onweer).
Ook voor het voedsel hadden de Maya’s een god: Hun Hunaphu oftewel de maisgod. Dankzij hem was de mens ooit (uit mais!) ontstaan en nu maakte hij groei en ontwikkeling mogelijk.
Ook voor andere facetten hadden de Maya’s hun goden. Zo was er een god voor de handel, voor de kunst en voor de onderwereld. Wanneer een koning van de Maya’s stierf, werd deze ook goddelijk. De koning ging dan deel uitmaken van de hemel. Ook de omgeving van de Maya’s werd als spiritueel gezien. Zo waren bergen heel belangrijk voor het volk, omdat de zielen van de voorouders daar zouden wonen.

Ritueel
Het mag duidelijk zijn dat het dagelijks leven van de Maya’s doordrenkt was met godsdienst. Dat gold vooral voor de elite en priesters. Zij waren in het bijzonder op de goden aangewezen, omdat ze deze vrijwel dagelijks om advies en hulp moesten vragen. Om in contact te komen met de goden, werden diverse rituelen uitgevoerd. Vaak kwam daar een hoop pijn bij kijken, zo blijkt uit afbeeldingen en beeldjes die de Maya’s ons hebben achtergelaten. Er zijn beelden bekend waarbij de vrouw van de koning een touw met doornen door een gat in haar tong trekt. Terwijl ze – ongetwijfeld door pijn, dagenlang vasten en het gebruik van middelen die hallucinaties veroorzaken – in extase raakt, krijgt ze een visioen. Het contact is dan gelegd. Maar niet alleen vrouwen moesten de rituelen ondergaan. Er zijn ook beeldjes gevonden van mannen die met een mes of pijl hun eigen penis openrijten. De Maya’s zagen het als vanzelfsprekend. De goden deden immers ook zoveel voor hen.

De goden deden ook aan zelfkastijding wanneer dat nodig was om de mensen in hun behoeften te voorzien. Hier is te zien hoe een god danst terwijl hij onder meer in zijn hoofd snijdt.

Mensenoffer
Om alle goden te vriend te houden, moest er hard gewerkt worden. Gelukkig was er altijd wel een mogelijkheid om de goden te paaien: een mensenoffer deed bijvoorbeeld wonderen. In de meeste gevallen waren het krijgsgevangen of slaven die door de Maya’s werden geofferd. Om te bepalen wie dat macabre lot ten deel viel, gebruikten de Maya’s soms een balspel. Hoe het spel precies gespeeld werd, is niet helemaal duidelijk. Vaststaat dat er twee teams waren en dat de bal in een ring geworpen moest worden. Waarschijnlijk speelden de Maya’s zelf tegen hun sterk verzwakte krijgsgevangen, zodat ze zeker wisten dat ze wonnen. De verliezer werd geofferd.

Geur
Mensen die geofferd moesten worden, werden goed verzorgd. Het was tenslotte een cadeautje voor de goden. Kort voor de ceremonie werden de slachtoffers blauw geverfd en kregen ze een hoofdtooi op. Zo werden ze naar de top van de piramide gebracht. Het offeren kon daar op verschillende manieren gebeuren. Soms werden de slachtoffers eerst onthoofd. Maar het kwam ook voor dat het offer nog levend op het altaar werd gelegd. De priester maakte een snee in de borst en rukte het nog kloppende hart eruit. Het lichaam werd daarna naar beneden gegooid. Naast mensen werd ook voedsel geofferd. De Maya’s dachten niet dat de goden dit echt opaten: de geur was genoeg.

De krijgsgevangen worden gepresenteerd aan de koning.

Overdreven
Hoewel wij bij de Maya’s tegenwoordig al snel aan deze gruwelijke daden denken, lijkt enige relativering op zijn plaats. Het is niet zo dat de Maya’s dagelijks mensen offerden. De offers vonden voornamelijk plaats wanneer de goden in actie moesten komen: bij droogte, ziekte of oorlog bijvoorbeeld. Of als een tempel werd geopend. Dat de Maya’s toch vooral door hun mensenoffers beroemdheid verworven, lijkt te wijten te zijn aan de Spaanse kolonisten die het gedrag van de Maya’s flink overdreven en zo hun harde aanpak goed praatten. De Spanjaarden vielen het land van de Maya’s rond 1520. Toch betekende dat niet direct het eind van de mensenoffers. Volgens de Mexicaanse regering zou de laatste mens pas omstreeks 1860 zijn geofferd.

Het hiernamaals
Wanneer een Maya stierf, daalde hij af in de onderwereld. Daar kwam hij oog in oog te staan met de heren die daar de dienst uitmaakten. Hun namen spreken voor zich: Een dood, Zeven dood, Demon van de Pus, Beenderscepter en Bloedverzamelaar. Wanneer de onderwereld verslagen was, zegevierde de dode. In het geval van de Maya-koningen betekende dat dat zij zelf goden werden en hun plaats in de hemel mochten innemen.

De wisselwerking tussen de Maya’s en hun goden is interessant. In de beleving van de Maya’s waren ze volledig afhankelijk van hun goden, maar konden ze hun lot desalniettemin enigszins zelf sturen. Zolang zij hun goden vereerden en tevreden hielden, zou de wereld niet vergaan en was hun hachje gered. Het was een wisselwerking: voor wat, hoort wat. Tegelijkertijd hielpen de goden en hun mythen onverklaarbare zaken te verklaren en bewezen die onverklaarbare zaken maar weer eens dat de goden bestonden. Het is een godsdienstig systeem dat prima werkte voor de Maya’s. Sterker nog: er zijn oude Maya’s die dit geloof nog steeds handhaven. Hier en daar werd het wel wat aangepast en vermengd met het door de Spaanse bezetter meegebrachte katholicisme.

Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen over de Maya’s. Eerder verschenen in deze reeks ook al de artikelen: Rekenen met de Maya’s en De Mayakalender: hoe zit het nu echt? en Sterren kijken met de Maya’s. Volgende week nemen we de kunst en architectuur van het oude volk onder de loep.