Uit recent onderzoek blijkt dat de moa – een enorme vogel die miljoenen jaren in Nieuw-Zeeland woonde – ooit heeft kunnen vliegen. Het DNA van de moa heeft namelijk overeenkomsten met dat van de tinamoe, een klein vogeltje dat in Zuid-Amerika huist en in tegenstelling tot alle andere loopvogels een beetje kan vliegen.

De tinamoe is het meest nabije familielid van de inmiddels uitgestorven moa in de categorie loopvogels. Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld ook de kiwi, de struisvogel en de emoe. De tinamoe is de enige vogel uit deze groep die – hoewel heel slecht – kan vliegen.

“Het lijkt nu meer aannemelijk dat de voorouder van de moa via Antarctica – voordat dit bevroor – naar Nieuw-Zeeland is gevlogen of geblazen,” vertelt onderzoeker David Penny. Dat de moa eenmaal op het vasteland zijn vliegkunsten is verloren, is volgens de onderzoekers niet raar. “Er zijn wel meer dan honderd gevallen van vogels die op Pacifische eilanden aankwamen en niet meer konden vliegen.” Dat heeft alles te maken met het feit dat er op de eilanden geen zoogdieren waren die de vogels op konden eten. Dus er was eigenlijk geen reden om het luchtruim te kiezen. “We weten nu sinds vijftien jaar dat de kiwi mogelijk naar Nieuw-Zeeland is gevlogen – hij ontsnapte uit Australië – maar niemand realiseerde zich dat de moa dat misschien ook gedaan heeft.”

Uit de analyses blijkt dat de loopvogels zich waarschijnlijk afzonderlijk van elkaar van vlieger tot loper hebben ontwikkeld. Oorspronkelijk werd aangenomen dat de voorouders van alle loopvogels niet konden vliegen. De moa zou in die theorie zo’n 80 miljoen jaar geleden op het grote continent Gondwana hebben geleefd en toen delen daarvan afbraken en Nieuw-Zeeland gevormd werd, op dat continent zijn meegedreven. Dat blijkt nu dus onjuist.