De oude Polynesiërs bouwden eerst kleine tempels en gingen vervolgens over op monumentale, piramide-achtige monsterbouwwerken. Die ontwikkeling duurde niet vier of vijf eeuwen, zoals lang werd aangenomen, maar slechts 140 jaar. Dat blijkt uit onderzoek.

Wetenschappers hebben 22 tempels op het eilandje Mo’orea bestudeerd. Ze bepaalden tijdens het onderzoek de leeftijd van grote blokken steen, religieuze voorwerpen en decoratieve fineerlagen. De onderzoekers gebruikten daartoe de uranium-thoriumdatering.

Koraal
De Polynesische tempels bestaan uit koraal en dat vergemakkelijkt de datering aanzienlijk, zo legt onderzoeker Patrick Kirch uit. “Koraal is ideaal voor dit proces, want het neemt uranium op uit zeewater en slaat dat op.” Het koraal dat in de tempel zit, leefde nog toen het haastig door de Polynesiërs werd aangebracht. Door vast te stellen wanneer het koraal niet meer groeide, kon bepaald worden hoe oud de tempels zijn.

‘Oro
Uit het onderzoek blijkt dat de bouwkunst het snelst veranderde tussen het jaar 1620 en 1760. De kleine tempeltjes maakten in die periode plaats voor grootse bouwwerken. Politieke competities, hiërarchie die steeds belangrijker werd en de sterk groeiende cultus rondom de god ‘Oro (de god van oorlog en vruchtbaarheid) hebben deze veranderingen mede bewerkstelligd.

Macht
“De constructie van deze massieve tempels met altaarplatformen die steeds hoger richting de hemel reikten was overduidelijk een belangrijk deel van de strategie van de elite. Ze wilden een wit voetje halen bij de goden en zo hun macht over de gewone mensen laten gelden.”

Volgens de onderzoekers stonden de Polynesiërs niet stil en waren ze ook niet langzaam. “Ze gebruikten heel geraffineerde methoden om controle, macht of grondstoffen te bemachtigen. We zien een soort race om de macht die naar voren komt in de rituelen omtrent de goden.”