Omringende bomen houden de boomstronk met een ondergronds netwerk van wortels in leven. Grote vraag is: waarom?

“Mijn collega Martin Bader en ik stuitten op deze kauri-boomstronk tijdens een wandeling in West Auckland,” vertelt onderzoeker Sebastian Leuzinger. “Het was vreemd, want ondanks dat deze boomstronk geen bladeren meer had, leefde deze nog wel.” Het was het begin van een omvangrijk onderzoek dat onthult dat de boomstronk in leven wordt gehouden door omringende bomen en er sterk op wijst dat bossen niet simpelweg een flinke verzameling bomen zijn, maar misschien wel beter als een superorganisme kunnen worden gezien.

Watertransport
Om meer inzicht te krijgen in hoe deze boomstronk – die eigenlijk dood had moeten zijn – kon leven, keken de onderzoekers naar het watertransport in de boomstronk én in de omringende bomen. “Overdag, wanneer de bomen transpireren (waarbij ze via hun bladeren waterdamp verliezen, red.), stroomden er geen sappen door de boomstronk, maar ’s nachts, wanneer de stroom van sappen in de omringende bomen minimaal was, begon de boomstronk water door zijn weefsels te circuleren,” vertelt Leuzinger aan Scientias.nl. “Hetzelfde zagen we tijdens regenachtige dagen, wanneer de omringende bomen inactief leken te zijn, maakte de stronk daar gebruik van door water naar zich toe te trekken.”


De wortels
Het wees er sterk op dat de wortels van de boomstronk geënt waren op die van de omringende bomen. “We spreken van wortelenten als wortels van bomen die (meestal) tot dezelfde soort behoren, met elkaar fuseren,” legt Leuzinger uit. “Hoe dat precies gaat, is niet duidelijk, maar er gaat sowieso een assessment aan vooraf waarbij bomen – voor ze hun wortels aan die van een andere boom verbinden – beoordelen in hoeverre die andere boom op hen lijkt. Het verschijnsel is al voor ongeveer 150 verschillende boomsoorten beschreven.”

Waarom?
Het is dus zeker niet ongebruikelijk dat bomen ondergronds een verbinding met elkaar aangaan. Maar meestal betreft het dan levende bomen. Dat onderzoekers nu zo’n ondergrondse connectie tussen levende en een praktisch dode boom hebben aangetroffen, is dan ook uniek. Want waarom zou een levende kauri-boom een nabije boomstronk in leven willen houden? “Voor de boomstronk zijn de voordelen duidelijk: de stronk zou zonder de wortelenten doodgaan, omdat deze zelf geen groen weefsel bezit,” aldus Leuzinger. “Maar waarom zouden groene bomen hun opa in leven houden als deze ze niets te bieden heeft?”

“In feite weigert de boomstronk gewoon om dood te gaan”

Het is een intrigerende vraag. De boomstronk heeft inderdaad duidelijk baat bij de ondergrondse samenwerking: “De boomstronk vertoont minimale groei,” merkt Leuzinger op. “Dus in feite weigert deze gewoon om dood te gaan. In die zin heeft de boomstronk ook weinig, maar wel wat nutriënten, water en koolstof nodig om de nog levende weefsels in stand te houden.” De omringende bomen voorzien in die behoefte. Maar wat krijgen ze daar voor terug? “Dat weten we niet. Het kan zijn dat de bomen toegang krijgen tot een groter netwerk van wortels of dat het ze stabieler maakt tijdens stormen. Mogelijk willen de bomen de ruimte die er onder de grond is liever samen met hun soortgenoten opvullen, dan dat een concurrent er gebruik van gaat maken.” En misschien is er wel een andere, veel simpelere verklaring voor het feit dat deze boomstronk mooi profiteert van zijn buren; hij is aangehaakt toen hij nog een gezonde, groene boom was en de omringende soortgenoten dus wél veel te bieden had. Het laatste lijkt zeker niet ondenkbaar. Leuzinger acht het namelijk onwaarschijnlijk dat de omringende bomen het merken als één van de bomen in hun netwerk gaandeweg steeds minder en uiteindelijk vrijwel niets meer bijdraagt. “Stel dat je via een ingewikkeld netwerk van wortels verbonden bent met tien of twintig buren; dan is het lastig om degene die niet langer koolstof levert, te identificeren.” En zelfs als de bomen het zouden kunnen, zouden ze er misschien niet eens energie in willen steken. “Misschien zijn de kosten van het identificeren van zo’n profiteur bovendien wel te hoog als je bedenkt dat de profiteur maar een minimale hoeveelheid koolstof opeist.” Leuzinger denkt dan ook niet dat er een tijd komt dat de omringende bomen de dode boomstronk afstoten. Het zou betekenen dat deze – dankzij zijn buren – nog een lang leven voor zich zou kunnen hebben.

De boomstronk. Afbeelding: via Sebastian Leuzinger.

Bossen als supersteden
Wat dit onderzoek zo bijzonder maakt, is dat de wetenschappers bewijs hebben gevonden dat kauri-bomen via een netwerk van wortels niet alleen voedingsstoffen, maar ook water uitwisselen. Als blijkt dat ook andere boomsoorten dat doen – en dat acht Leuzinger heel waarschijnlijk – kan het onze kijk op bossen voorgoed veranderen. “Op dit moment wordt een bos gezien als een verzameling bomen die grotendeels niet van elkaar afhankelijk zijn,” legt Leuzinger aan Scientias.nl uit. “Als niet alleen koolstof – zoals eerdere studies al hebben aangetoond – maar ook water ondergronds wordt uitgewisseld, dan kunnen we bossen zien als ‘supersteden’ met een ondergronds ‘voedingsnet’. Als droogte toeslaat of – zoals in onze studie – een boom niet langer in staat is om zichzelf van koolstof te voorzien, kunnen individuele bomen door andere bomen geholpen worden. Geen enkel model van een bos neemt dat nu in overweging, dus die moeten we herzien. En ook de definitie van boomsterfte moet misschien wel herzien worden.” Verder moeten we er ook serieus rekening mee houden dat zo’n complex netwerk van wortels dat bomen in staat stelt om allerhande zaken te delen, niet altijd in het voordeel van de bomen is. “Het kan ook zomaar zijn dat ziekteverwekkers in dit netwerk van wortels rondwaren,” stelt Leuzinger.

Er valt ongetwijfeld nog veel te ontdekken in bossen. En dan met name onder de grond. Want wat daar gebeurt, maakt – in ieder geval voor die boomstronk in West Auckland – het verschil tussen leven en dood. En het lijkt aannemelijk dat er nog veel meer bomen zijn die bij gratie van hun buren stand weten te houden. “Als een bos inderdaad zoiets is als een superorganisme, is het mogelijk dat het bos als geheel – net als een insectenkolonie – erbij gebaat is om elk lid in leven te houden, ongeacht of deze nu een bijdrage levert aan de koolstofvoorraad.”