Op 11 november 1954 deden onderzoekers het licht uit bij een groepje fruitvliegen. En meer dan zestig jaar later weet hun nageslacht niet beter dan dat het altijd donker is.

Al meer dan 1500 generaties leven de fruitvliegjes (Drosophila melanogaster) in het donker. Wat doet dat met een fruitvlieg? De onderzoekers onthullen het in het blad G3: Genes | Genomes | Genetics.

Variant
Het nageslacht van de vliegen die in 1954 in het duister werden opgesloten worden aangeduid als Dark-fly en zijn een soort variant van de traditionele D. melanogaster geworden. Zo zijn ze gevoeliger voor bepaalde geuren. Ook zijn de haren op hun kop – met een zintuiglijke functie, vergelijkbaar met de snorharen van een kat – langer. Ook produceren Dark-fly’s meer nageslacht wanneer ze in het donker leven dan wanneer ze afwisselend aan duisternis en licht worden blootgesteld. Kort samengevat kun je dus stellen dat Dark-fly’s het beter doen in het donker dan in het licht. Ook doen Dark-fly’s het beter in het donker dan de ‘gewone’ D. melanogaster, zo tonen experimenten aan.

In het donker
Om de vliegen in totale duisternis te houden, hebben onderzoekers ze in een vat gestopt. Dat vat bevindt zich in een grote pot die aan de binnenkant zwart is geverfd en bedekt is met verduisterende stof. Wanneer er bijvoorbeeld voedsel aan de vliegen moet worden gegeven, doen de onderzoekers dat in het donker. Wanneer de onderzoekers de vliegen willen inspecteren, gebruiken ze daar een rood lampje voor: fruitvliegen kunnen dat licht niet zien. Zoals gezegd leven de fruitvliegen dus al meer dan 1500 generaties in het donker. Als je een soortgelijk experiment met mensen zou uithalen, zou het – omdat een menselijke generatie een groter tijdvak beslaat – zo’n 30.000 jaar duren.

DNA
De onderzoekers hebben ook het DNA van de Dark-fly’s bestudeerd en vergeleken met dat van ‘gewone’ fruitvliegen. Ze hoopten zo genen aan te kunnen wijzen die Dark-fly’s helpen om zich aan het duister aan te passen. Ze stuitten in het genoom van de Dark-fly’s op 28 plekken op genvarianten die steeds vaker voorkwamen wanneer de vliegen in totale duisternis leefden. In totaal gaat het om zo’n 84 genen die de vliegen waarschijnlijk helpen om in complete duisternis te leven. Onder deze genen bevinden zich waarschijnlijk genen die een rol spelen bij de totstandkoming van herinneringen omtrent geur, maar ook genen die een rol spelen in het circadiaan ritme. In de toekomst hopen de onderzoekers de activiteit en functie van deze genen te bestuderen en met zekerheid te kunnen stellen dat deze genen de vliegen helpen om het in het duister te redden.

En dan is het tijd voor een volgende stap. De genvarianten die de Dark-fly’s helpen om het duister te overleven introduceren in vliegen die niet in het duister zijn opgegroeid en leven. En dan kijken welke invloed dat heeft op de vliegen.