Wetenschappers komen voor het eerst met overtuigend bewijs dat er – in ieder geval onder vleeseters – een verband is tussen de relatieve omvang van het brein en het probleemoplossend vermogen van het organisme.

Sommige organismen hebben relatief gezien – dus in verhouding tot de rest van hun lichaam – een groot brein. Denk bijvoorbeeld aan mensen, maar ook aan dolfijnen. Andere organismen, zoals walvissen en nijlpaarden, moeten het met een relatief klein brein doen. Lang werd gedacht dat organismen met een relatief groot brein intelligenter waren dan organismen met een relatief klein brein. Maar overtuigend bewijs voor die hypothese konden onderzoekers niet vinden. Tot nu. Een grootschalig onderzoek onder vleesetende dieren toont aan dat het probleemoplossend vermogen van een dier groter is naarmate zijn brein (relatief gezien) groter is.

Het onderzoek
Wetenschappers bestudeerden 140 dieren in negen verschillende dierentuinen. Alle onderzochte dieren waren vleeseters en werden geconfronteerd met een probleem dat ze moesten oplossen om een lekker maaltje te verkrijgen. Elk dier kreeg 30 minuten de tijd om het probleem – een afgesloten kooi met daarin het maaltje – op te lossen. Onder de dieren die het experiment ondergingen, bevonden zich onder meer ijsberen, tijgers, wolven en sneeuwluipaarden.

Probleemoplossend vermogen
Uit het onderzoek blijkt dat soorten met een relatief groot brein doorgaans beter in staat waren om het probleem op te lossen. “Dit onderzoek geeft ons een uniek kijkje in het probleemoplossend vermogen van vleeseters en de resultaten onderschrijven de bewering dat de omvang van het brein de probleemoplossende vaardigheden van een dier reflecteert en geeft meer inzicht in waarom sommige soorten grote hersenen hebben ontwikkeld,” stelt onderzoeker Sarah Benson-Amram.

“De stokstaartjes presteerden heel slecht; geen enkel stokstaartje kreeg de box met voedsel open”

Beren en stokstaartjes
De beren bleken tijdens de experimenten het meest succesvol te zijn: in bijna zeventig procent van de gevallen wisten ze het maaltje te verkrijgen. Stokstaartjes presteerden weer heel slecht; geen enkel stokstaartje kreeg de box met voedsel open. Over het algemeen bleek verder dat grote dieren succesvoller waren dan dieren met een klein lichaam.

De onderzoekers keken niet alleen of er een verband was tussen het probleemoplossend vermogen en de relatieve grootte van het brein, maar vroegen zich ook af of soorten die in grotere groepen leven betere probleemoplossers zijn. “Een hypothese die onderschreven wordt door veel onderzoeken onder primaten is de ‘sociale brein-hypothese’,” vertelt onderzoeker Kay Holekamp. “Deze stelt dat grotere hersenen geëvolueerd zijn om de uitdagingen in het sociale domein het hoofd te bieden. Deze hypothese gaat er dus vanuit dat intelligentie geëvolueerd is om dieren in staat te stellen om op anderen te anticiperen, te reageren en misschien de acties van anderen zelfs te manipuleren. Als de hypothese klopt, dan zou je verwachten dat soorten die in grote sociale groepen leven intelligenter zijn. Maar wij vonden in ons onderzoek geen bewijs voor deze hypothese. Er was geen indicatie dat de sociale groep de probleemoplossende vaardigheden van dieren beïnvloedt.”