Dierproefvrije methoden komen steeds meer beschikbaar in de wetenschap. Toch worden nog altijd elk jaar meer dan een half miljoen dieren in de Nederlandse laboratoria gebruikt voor experimenten. “Iedereen die gezond is wil gezond blijven, wie ziek is wil beter worden. Daarvoor zijn dierproeven nodig, zo simpel is het.”

Gekweekte mini-orgaantjes die buiten het lichaam bestudeerd worden, geavanceerde computermodellen die de weg van een geneesmiddel in de mens feilloos nabootsen, levende mensenhuid in het laboratorium om gevaarlijke stoffen op te testen. Wetenschappers komen steeds meer te weten zonder dat daarvoor proefdieren nodig zijn, maar worden dierproeven ook echt overbodig?

25 miljoen dierproeven
Laten we beginnen met de cijfers. Sinds 1978 houdt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit het aantal dierproeven in Nederland bij. Meer dan 25 miljoen zijn het er vanaf de eerste telling. Het goede nieuws is dat er elk jaar minder experimenten bij komen. Het slechte nieuws: de grootste daling is al een tijd voorbij. Dit is goed te zien in de grafiek hieronder.

figuur1

“In de beginjaren was er nog veel laaghangend fruit dat makkelijk weg te halen was”, legt Coenraad Hendriksen, hoogleraar Alternatieven voor Dierproeven in Utrecht, uit. “Door de drie V’s beter toe te passen konden we tot 1990 veel winst boeken.” De drie V’s staan voor vervanging, vermindering en verfijning, de drie pijlers waar een dierproef op beoordeeld wordt in ons land. Een onderzoeker mag alleen een dierproef doen als er geen alternatief is; vervolgens moet hij zorgen dat hij de proef met zo min mogelijk dieren uitvoert en dat het leed voor het proefdier zo klein mogelijk is.

Sinds 1990 neemt het proefdiergebruik nog mondjesmaat af. Hendriksen: “Het biomedisch onderzoek is flink gegroeid de laatste decennia en de huidige in vitro modellen en computersimulaties hebben nog te veel beperkingen waardoor dierproeven nodig zijn.”

Hendriksen denkt dat de huidige fase waarin het proefdieronderzoek zich bevindt zeker nog twintig jaar zal duren. Aan de plotse daling van het aantal dierproeven van meer dan tien procent in 2013 – de laatste telling – ten opzichte van het jaar ervoor moet dan ook niet te veel waarde gehecht worden. Volgens Harry Blom, proefdierdeskundige in Utrecht, heeft de daling met name een economische oorzaak. “De crisis speelde in 2013 een belangrijke rol. Onderzoekers hadden last van slinkende budgetten en dierproeven zijn nu eenmaal duur.”

Figuur 2: de muis is het populairst.

Figuur 2: de muis is het populairst.

Muizen favoriet
Ondanks de daling werden in 2013 nog steeds 526.593 dierproeven uitgevoerd in ons land. Sommige dieren werden meer dan één keer gebruikt, waardoor het aantal gebruikte proefdieren in 2013 iets lager lag, 517.181.
Muizen zijn veruit het populairst. Ze werden ingezet in bijna de helft van de experimenten (Figuur 2).
Muizen zijn namelijk klein. Ze zijn daarom makkelijk te hanteren en nemen weinig ruimte in de stal in. Maar de belangrijkste reden voor een wetenschapper om muizen te gebruiken is dat ze eenvoudig genetisch te manipuleren zijn. Wil een onderzoeker weten wat het belang van een bepaald gen is op zijn metingen, dan neemt hij een muis waarin dat gen extra geactiveerd wordt of juist niet werkt. In 2013 werden van de 256.870 proeven op muizen er 84.804 gedaan op genetisch gemodificeerde muizen, zo’n één op de drie.

Verspilling van proefdieren
De half miljoen dieren die per jaar in een experiment terecht komen vormen overigens de minderheid van het totaal aantal dieren dat de dood vindt in de Nederlandse labs. Want bovenop de dieren die in een proef gebruikt en na afloop ervan gedood worden, zijn er ‘onbruikbare’ dieren waar geen experiment mee gedaan wordt en die ook gedood worden. In 2013 waren dit er 574.511, een stijging van tien procent ten opzichte van 2012. En 57 duizend meer dan het aantal dieren dat de boeken in ging als proefdier (Figuur 1).

Vooral het geknutsel met genen levert veel verspilling op. Blom legt uit: “Om genoeg muizen met de genen te krijgen die een onderzoeker wil, moeten veel dieren gekruist worden. Muizen die het gen niet hebben zijn ongeschikt om verder mee te fokken. Die kunnen nergens anders voor gebruikt worden en worden ‘in voorraad’ gedood.” In 2013 kwamen zo 303.299 genetisch gemodificeerde muizen in Nederland aan hun einde, zo’n 50 duizend meer dan het aantal muizen dat in dat jaar in een proef terecht kwam en als echt proefdier werd geregistreerd.

Naast de muizen die de juiste genen missen zijn ook de vrouwtjes in het proefdierenrijk meestal overtollig. Blom: “Een onderzoeker doet liever alleen proeven met mannetjesdieren. Vrouwtjes hebben schommelende hormonen door de cyclus en die beïnvloeden de metingen te veel.”

Figuur 3: De meeste proefdieren worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

Figuur 3: De meeste proefdieren worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

Nieuwe vraagstellingen
Een proefdiervrij Nederland is nog ver weg. Want wanneer we de dieren die in 2013 in voorraad gedood werden optellen bij de dieren die in een proef gebruikt werden, komen we op een totaal van 1,1 miljoen uit.
Dit aantal zal pas zakken als er genoeg goede alternatieven zijn. Vooral in het wetenschappelijk onderzoek, de grootgebruiker van proefdieren (Figuur 3), is dit lastig te bolwerken. Hendriksen: “Er zijn geen strakke richtlijnen in het wetenschappelijk onderzoek. De onderzoeker werkt op basis van de literatuur en de beste praktijk in het lab, en dat is vaak een dierproef.”

Bovendien kent het fundamenteel onderzoek steeds nieuwe en meer diverse vraagstellingen waarvoor proefdieronderzoek nodig is. Om als onderzoeker te snappen wat er aan de hand is bij bijvoorbeeld de opkomende breinziekten als Alzheimer en Parkinson zijn proefdieren als onderzoeksmodel nodig. Richard van Wezel, hoogleraar visuele neurowetenschappen aan de Radboud Universiteit meet hersenactiviteit in muizen en daar zijn geen alternatieven voor. “Het brein is veel te complex. Sommige mensen denken dat je stamcellen precies kan laten groeien als in het lichaam, maar dat is echt te simpel gedacht. En ook een computermodel kan mijn metingen niet nabootsen.”

“De vraag is of mensen wel een geneesmiddel durven te slikken dat niet in een dier getest is. We leven in een maatschappij waar veiligheid het ultieme doel is. We stappen in auto’s en doen allemaal doldwaze dingen op vakantie, maar als we uitslag krijgen van een stofje dan zijn de rapen gaar.”

Lange weg
Voor de dierproeven waarmee nu medicijnen, voedingsmiddelen en chemische stoffen getest worden geldt een ander verhaal. Hendriksen: “Voor het regelgevend onderzoek verwacht ik binnen nu en twintig jaar dat veel in vitro- en computermodellen goed genoeg zijn om de huidige dierproeven te vervangen.”

Maar of ze ook daadwerkelijk afgeschaft worden, daar twijfelt Hendriksen sterk over. “De wet verplicht nu eenmaal dat deze testen in dieren gebeuren. Wil je die regelgeving veranderen moet een onderzoeker eerst laten zien dat het alternatief beter werkt dan de dierproef.”

En dat is een lang en moeizaam traject, beaamt ook Dik van Gent, universitair docent genetica in het Erasmus MC. Van Gent is vijf jaar geleden gestart met de ontwikkeling van een dierproefvrije tumorbehandeling. Van Gent: “Ik ben nu pas zover dat ik mijn eerste artikelen over de methoden gepubliceerd heb.”

De tumorbehandeling test Van Gent buiten het lichaam van de patiënt. “Wanneer de chirurg een tumor uit een borst of eierstok van een patiënt verwijdert, krijgen wij er een stukje van. In het laboratorium snijden we dat stukje in dunne plakjes die we bestralen of behandelen met een geneesmiddel of een chemokuur. Na een week kijken we door de microscoop hoe de tumor zich heeft ontwikkeld en weten we of de behandeling aanslaat.”
Van Gent denkt dat zijn benadering mogelijk net zo goed werkt als die in de muis. De muis is momenteel de gouden standaard voor het testen van een nieuwe tumorbehandeling. Van Gent legt uit hoe de test in de muis verloopt: “Eerst wordt de natuurlijke afweer van de muis uitgeschakeld. Dan wordt de tumor in zijn dij geplaatst en ontstaat daar een knobbel. Vervolgens gaat de onderzoeker de muis behandelen en kijkt hij of de knobbel afneemt.”

Dag proefdier!
Wetenschappers en proefdieren. Ze lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar dat is aan het veranderen. Want aan tal van Nederlandse universiteiten wordt gewerkt aan alternatieven die het proefdier in veel gevallen overbodig maakt.

Maar of Van Gents methode de test op muizen gaat vervangen in de toekomst, is een stap waar de onderzoeker nog niet mee bezig is. “Het nadeel nu is dat ik de tumor nog maar een week in leven kan houden. Ik weet dus niet wat de behandeling op de lange termijn doet.”

Veiligheid voor alles
Zelfs als die hobbel genomen is, is Van Gent niet overtuigd dat zijn methode tot minder proefdieren zal leiden. “Farmaceuten willen veiligheid voor alles en zullen hun medicijnen blijven testen op proefdieren.” Hendriksen beaamt dat de focus van de mens op veiligheid een enorme barrière opwerpt. “De vraag is of mensen wel een geneesmiddel durven te slikken dat niet in een dier getest is. We leven in een maatschappij waar veiligheid het ultieme doel is. We stappen in auto’s en doen allemaal doldwaze dingen op vakantie, maar als we uitslag krijgen van een stofje dan zijn de rapen gaar.”

De ontwikkeling van alternatieven gaat door maar Nederland kan voorlopig nog niet zonder dierproeven. Blom vat het samen: “Niemand is voorstander van dierproeven maar iedereen die gezond is wil gezond blijven en wie ziek is wil beter worden. Daarvoor zijn dierproeven nodig, zo simpel is het.”