Nieuw onderzoek laat zien dat een kind niet automatisch te dik wordt als het daar een erfelijke aanleg voor heeft.

Het is al langer bekend dat kinderen van dikke ouders zelf vaak ook te dik worden. Dat is deels genetisch bepaald. Maar nieuw onderzoek toont nu aan dat die erfelijke aanleg sterker tot uiting komt als een kind opgroeit in een omgeving die overgewicht in de hand werkt. Dat schrijven onderzoekers in het blad Jama Pediatrics. De studie laat maar weer eens zien hoe groot de impact van een gezonde leefomgeving is, ook voor kinderen die dankzij hun genen al een wat grotere kans hebben op overgewicht.

Tweelingen
De onderzoekers baseren hun conclusies op een onderzoek onder ruim 1800 Engelse tweelingkinderen die hooguit vier jaar oud waren. Een derde van de groep bestond uit eeneiige tweelingen (deze tweelingkinderen waren dus genetisch identiek aan hun tweelingbroer of -zus). Twee derde van de groep bestond uit twee-eiige tweelingen (tweelingkinderen die genetisch gezien voor 50% hetzelfde zijn). Doorgaans is het natuurlijk zo dat een tweeling dezelfde opvoeding krijgt en in dezelfde omgeving opgroeit. Dat maakt onderzoek onder eeneiige en twee-eiige tweelingen zo waardevol: het stelt onderzoekers in staat om te achterhalen hoe groot de impact van genen en hoe groot de impact van omgeving is. Zo is er sprake van genetische aanleg als de BMI’s binnen eeneiige tweelingparen meer op elkaar lijken dan de BMI’s van twee-eiige tweelingen.

Omgeving
De onderzoekers stelden voor elk tweelingpaar vast of het opgroeide in een gezonde leefomgeving of in een zogenoemde obesogene omgeving – oftewel een omgeving die overgewicht in de hand werkt. “Hoeveel gezond en ongezond eten is er in huis en hoeveel mogen kinderen daar zelf van eten? Gebruiken de ouders eten als beloning? Ook beweging speelt een rol: sporten ouders bijvoorbeeld zelf? Wordt er veel gewandeld? Hebben ze een tuin? Zijn er parken in de buurt? Tot slot kijken we naar mediagebruik: hoeveel uren mogen de kinderen televisie kijken? Hoeveel televisie kijken de ouders zelf?,” somt onderzoeker Ellen van Jaarsveld op. Ook werd er natuurlijk gekeken naar de genetische aanleg voor overgewicht.

Rol van erfelijkheid
Uit het onderzoek blijkt dat de BMI’s van eeneiige tweelingen met een verhoogd risico op overgewicht in een obesogene omgeving meer op elkaar leken dan bij de twee-eiige tweelingen. In een vrij gezonde leefomgeving bleek er weinig verschil te zijn tussen de BMI’s van een- en twee-eeiige tweelingen. Het wijst erop dat erfelijkheid een grotere rol speelt in een omgeving die overgewicht in de hand werkt. “Als je in een omgeving leeft zonder verleidingen om veel te eten, maakt het niet zoveel uit of je een erfelijke aanleg hebt,” legt Van Jaarsveld uit. “Je BMI blijft wel oké. Maar in een omgeving met veel verleidingen komt de erfelijkheid meer tot uiting.”

Afgaand op dit onderzoek kunnen we dan ook concluderen dat kinderen met een erfelijke aanleg voor overgewicht niet automatisch te dik worden. “Zo werkt het niet,” bevestigt Van Jaarsveld. “Maar je hebt met die aanleg wel meer risico op overgewicht als je meer blootstaat aan verleidingen.” Het onderzoek ontkent zeker niet dat het voor kinderen die aanleg hebben voor overgewicht doorgaans meer moeite moeten doen om op gewicht te blijven. Maar ook daarvoor geldt: dat is extra moeilijk in een omgeving die overgewicht in de hand werkt.