Ooit was New York een Nederlandse stad. Kaarten van het gebied uit die tijd zijn echter zeer zeldzaam. Sterker nog: er is er maar eentje bewaard gebleven.

Het verhaal van de Nederlanders in de Nieuwe Wereld is onweerstaanbaar. Het bescheiden zeventiende-eeuwse Hollandse nederzettinkje Nieuw-Amsterdam groeide uit tot de meest tot de verbeelding sprekende metropool ter wereld: New York. Het is misschien een beetje sneu dat ‘The Big Apple’ geen Nederlandse stad (meer) is. Feit is wel dat de Amerikanen tot op de huidige dag de Nederlandse oorsprong van New York koesteren.

VOC en WIC
In 1524 voeren voor het eerst mensen uit Europa door de baai waar het eiland Manhattan ligt, dat toen werd bewoond door indianen. Het ging om een expeditie van de Italiaanse ontdekkingsreiziger Giovanni da Verrazzano (1485-1528), die in opdracht van de Fransen de noordoostelijke kust van het nieuw ontdekte continent verkende. In 1609 zette de Engelsman Henry Hudson (ca. 1565-ca. 1611) in opdracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) koers naar de Nieuwe Wereld, op zoek naar een noordelijke doorvaart naar Azië. Hij voer in september het water ten westen van het eiland Manhattan op, de rivier die zijn naam zou gaan dragen. Dit leidde overigens nog niet meteen tot de stichting van een nederzetting, al waren de berichten van Hudson die Amsterdam bereikten wel een prikkel voor vele ondernemers om plannen te maken voor handelsactiviteiten in de Nieuwe Wereld. Zij hadden vooral belangstelling voor pelzen, in de eerste plaats voor die van bevers, maar ook voor die van otters, minks en zelfs van ratten. Om die initiatieven te stroomlijnen en ook het nationale belang beter te waarborgen, werd in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht, uiteraard geënt op de ervaringen met de in 1602 opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). En er moest rekening worden gehouden met de Engelsen en Fransen, die ook interesse hadden voor de regio. Zij hadden er zelfs al diverse nederzettingen gesticht: de Fransen bouwden vanaf eind zestiende eeuw dorpjes in Nova Scotia, de Engelsen stichtten in 1607 Jamestown.


“Pieter Jansz Schagen, een vertegenwoordiger van de Staten-Generaal, rapporteerde over de aankoop van het ‘eylant Manhattes’ in ruil voor goederen ter waarde van 60 gulden”

60 gulden voor Manhattan
In 1624 kwamen de eerste kolonisten in Nieuw-Nederland aan en al spoedig volgden er meer, evenals het nodige vee, waaruit blijkt dat men erop vertrouwde dat de kolonisatiepoging op den duur zou slagen. Deze permanente bewoning was nodig om met succes aanspraak te kunnen maken op het gebied. Nieuw-Nederland werd bestuurd door een directeur die onder het gezag stond van de WIC. De tweede directeur, Willem Verhulst, kreeg van de Compagnie de opdracht de kolonisten te concentreren op Manhattan. In 1626 keurde hij het besluit goed om op de zuidpunt van Manhattan een fort te bouwen, van waaruit Nieuw-Nederland bestuurd kon worden. Verhulst bleef maar kort in functie en werd opgevolgd door Peter Minuit (of Minnewit; 1594-1638), wiens naam verbonden is met de aankoop van het eiland Manhattan in 1626. Een koopakte is niet overgeleverd. We kennen alleen een brief van Pieter Jansz Schagen, een vertegenwoordiger van de Staten-Generaal, die vanuit een vergadering van de WIC rapporteerde over de aankoop van het ‘eylant Manhattes’ in ruil voor goederen ter waarde van 60 gulden. Het spreekt zeer tot de verbeelding, maar een ‘koop’ zoals wij die kennen was het niet, omdat de indianen land niet als verhandelbaar bezit beschouwden, net als lucht of water.
Doordat binnen het bestuur van de WIC verschil van mening bestond over het gebruik en de exploitatie van Nieuw- Nederland, was de animo onder mensen uit de Republiek om zich daar te gaan vestigen gering. Bovendien waren er voortdurend schermutselingen met de oorspronkelijke bewoners, waarbij dikwijls kolonisten sneuvelden. Velen van hen hielden het voor gezien en gingen terug naar Europa. De WIC creëerde mede in reactie daarop meer ruimte voor particuliere handelspraktijken, naast die van de Compagnie. Bovendien gaven ze delen van het nieuwe land vrij voor landbouw. De conflicten met de Engelsen en Fransen en de indianen hielden echter aan. Daardoor ontstond ook onenigheid onder de kolonisten zelf. In 1647 werd een nieuwe directeur-generaal benoemd: Peter Stuyvesant (ca. 1611-1672). Hij moest de orde herstellen en optimale condities creëren om de kolonie tot bloei te brengen.

“Met de toenemende drukte in de stad – er woonden vijf- tot zevenhonderd mensen in 1653 – ontstond ook behoefte aan een betere afbakening van percelen en dus aan een kaart”

Behoefte aan een kaart
De strubbelingen waren toen bepaald nog niet voorbij, maar door slim opereren en domweg tijdrekken slaagde de rechtlijnige Stuyvesant erin de meeste problemen op te lossen of te laten verlopen. De stad kreeg van lieverlee toch enige omvang van betekenis en ook de interesse van kolonisten voor het achterland nam toe. Met de toenemende drukte in de stad – er woonden vijf- tot zevenhonderd mensen in 1653 – ontstond ook behoefte aan een betere afbakening van percelen en dus aan een kaart. De opdracht hiervoor ging naar landmeter Jacques Cortelyou (ca. 1625-1693). Zijn oorspronkelijke kaart is verloren gegaan, maar er bestaat nog wel een kopie van Johannes Vingboons (1616/17-1670). Deze kaart werd in 1667, samen met een zestigtal andere, gekocht bij het bedrijf van Joan Blaeu door prins Cosimo III de’ Medici (1642-1723) tijdens zijn bezoek aan Amsterdam. Deze De’ Medici, de latere groothertog van Toscane, nam de kaarten mee naar zijn Villa medicea di Castello, nabij Florence; vandaar de bijnaam voor deze vroege impressie van de hoofdstad van Nieuw-Nederland: de Castellokaart. Het is een van de bekendste kaarten van Nieuw-Amsterdam, en het is de enige bewaard gebleven cartografische impressie van de stad die is gemaakt tijdens het bewind van de Hollanders.

De Castello-kaart.

Want hoe liep het af? De Engelsen dreigden in 1664 Nieuw-Amsterdam in te nemen, omdat het door de Engelse koning Karel II was toegewezen aan zijn broer, Jacobus II. Stuyvesant weigerde zich te laten wegjagen, maar werd door de Nieuw-Amsterdammers toch min of meer gedwongen tot onderhandelen. Op 8 september 1664 werd de kolonie Nieuw-Amsterdam aan de Engelsen overgedragen; die herdoopten de stad tot New York, aangezien Jacobus II hertog van York was. Formeel werd de overdracht pas bekrachtigd in 1667, als onderdeel van de Vrede van Breda. Een van de voorwaarden van dat verdrag was dat de ondertekenaars de kolonies behielden die ze op dat moment in bezit hadden: de Engelsen Nieuw-Amsterdam en de Nederlanders Suriname. Hierdoor kwam het verhaal in de wereld dat New York zou zijn ‘geruild’ tegen Suriname, wat dus niet het geval is. Overigens is er in het huidige New York, behalve het patroon van sommige straten, niets meer terug te vinden van wat op de kaart is afgebeeld.


De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten
Deze tekst en de kaart zijn afkomstig uit het onlangs verschenen boek ‘De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten’. Dit boek vertelt de geschiedenis van Nederland aan de hand van honderd bijzondere historische kaarten. Van het oudste bekende Nederlandse kaartje uit 1307 over de bouw van een kerk in de Aardenburgse moer tot een van de eerste fietskaarten uit 1896 en een kaart van de stormvloed in 1953. De kaarten laten zien wat er in de loop der eeuwen is veranderd, maar tegelijk wat ongewijzigd is gebleven. Nieuwsgierig naar meer? Je kunt het boek hier bestellen!