De mannelijke genen werden vrijwel volledig vervangen door nieuwkomers van de Russische steppe.

Onderzoekers hebben zich over eeuwenoud DNA gebogen van inwoners die gedurende duizenden jaren op het Iberische Schiereiland – dat bestaat uit Spanje en Portugal – leefden. De studie laat zien dat de bevolking van het Schiereiland in de loop der tijd drastisch is veranderd. Maar de grootste verandering vond plaats aan het einde van de Kopertijd, toen mannen afkomstig van de Russische Steppe hun intrede deden.

Nieuwkomers
De nieuwkomers kwamen zo’n 4.500 jaar geleden Europa binnen. En ze namen het gebied rap over. Zo’n 500 jaar later, aan het begin van de Bronstijd, stamde 40 procent van de inwoners van het Iberische Schiereiland af van deze nieuwkomers die vanuit het Zwarte Zee gebied waren overgekomen. Sterker nog: de mannelijke genen werden bijna volledig vervangen. Dit suggereert dat de nieuwkomers voornamelijk van het mannelijke geslacht waren en dat zij op de een of andere manier de lokale mannelijke bevolking bijna volledig vervingen.


Onderzochte botten uit de studie. In totaal bogen de onderzoekers zich over de genomen van 271 Iberiërs. Afbeelding: University of Huddersfield

Vermengd
De onderzoekers ontdekten dat de Iberiërs en de nieuwkomers in de loop van de tijd steeds meer met elkaar vermengd raakten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de overblijfselen van een man en een vrouw, gevonden in de plaats Castillejo de Bonete in Spanje. De man en de vrouw waren naast elkaar begraven. Een analyse van het DNA wees uit dat de vrouw volledig van lokale afkomst was, terwijl de recente voorouders van de man afkomstig waren uit Midden-Europa.

India
De Russische nomaden hadden het niet alleen op het Iberische Schiereiland voorzien. Zo waaierden ze uit in beide richtingen; zowel naar het westen van Europa, als naar het oosten van Azië. Op die manier migreerden ze ook naar India. De mannen leefden van hun veeteelt, beschikten over gedomesticeerde paarden en wagens op wielen waardoor ze een enorm voordeel hadden ten opzichte van inheemse landbouwpopulaties. Bovendien wordt gedacht dat zij de overbrengers waren van de Indo-Europese talen die vandaag de dag in Europa en India gesproken worden.

De grote genetische verandering ging ongeveer gelijk op met de zogenaamde klokbekercultuur; een archeologische cultuur uit de Kopertijd vernoemd naar aardewerken die vaag iets weg lijken te hebben van kerkklokken. “Het is een intrigerende situatie,” zegt onderzoeker Marina Silva. “De klokbekercultuur is ontstaan in Portugal en is vanuit daar over Europa verspreid. Maar tegelijkertijd, of kort daarna, vertrokken mannen die waarschijnlijk Indo-Europese talen spraken in tegenovergestelde richting.” Volgens de onderzoekers is het begrijpen van de populatiedynamiek belangrijk om erachter te komen wat de oorsprong is van de Keltische talen, die in West-Europa werden gesproken vóór de opkomst van het Romeinse Rijk.