De Donner Party, een groep negentiende eeuwse Amerikaanse pioniers die insneeuwden in Sierra Nevada, waren geen kannibalen. Dat concluderen onderzoekers na een analyse van de botten die in het kamp gevonden zijn. De pioniers hebben zich wellicht wel aan de familiehond vergrepen.

Uit de analyse is gebleken dat de pioniers hun honger stilden met vee, herten en paarden. Ook de familiehond Uno moest er aan geloven. Waarschijnlijk werd het vee pas gegeten nadat het zelf van de honger was gestorven, zo concluderen de onderzoekers.

Geen kannibalen
Het is voor het eerst dat uit wetenschappelijk onderzoek naar voren komt dat de ingesneeuwde Donner Party geen mensen nuttigde. Lang werd aangenomen dat de pioniers ook mensen aten om te overleven. Maar in het kamp zijn geen botten van mensen gevonden. “Wat we hebben laten zien is dat er geen bewijs is voor kannibalisme,” vertelt onderzoeker Gwen Robbins. “Als de Donner Party wel haar toevlucht zocht tot kannibalisme dan zijn de botten anders behandeld dan de botten van dieren, bijvoorbeeld begraven of verbrand. En dan zijn ze daarna geërodeerd.”

Journalisten
Uiteindelijk overleefden 47 pioniers de sneeuw. Zij ontkenden allen dat ze mensen hadden gegeten, maar de journalisten uit de negentiende eeuw leken daar lak aan te hebben. Eén van de overlevenden: Lewis Keseberg, ging zelfs de boeken in als Keseberg de Kannibaal. “Racisme heeft misschien een rol gespeeld,” meent Robbins. “Keseberg kwam uit Polen en men had nogal negatieve gevoelens omtrent de Poolse immigranten.”

Uit de restanten die de onderzoekers in het kamp aantroffen, blijkt dat de Donner Party er alles aan deed om ondanks de honger en sneeuw een normaal leven te leiden. “Leien wijzen erop dat de kinderen gewoon moesten zitten en hun lessen volgden, terwijl scherven bewijzen dat ze gewoon van borden aten. Zo hielden ze hun waardigheid en hoop voor de toekomst.”