Droogte teisterde de eerste kolonisten van de Britse nederzetting Jamestown. Dit blijkt uit een analyse van opgegraven oesterschelpen nabij de nederzetting. De schelpen onthullen dat het water in de Jamesrivier naast de kolonie veel zouter was dan vandaag de dag.

Howard Spero, geochemist aan de universiteit van Californië, beweert dat het water waarschijnlijk zo brak was, dat de rivier een stuk dunner was dan vandaag de dag. Toen de oesters in de Jamesrivier groeiden, viel er waarschijnlijk veel minder neerslag dan nu.

CSI Jamestown
Jamestown werd in 1607 opgericht. De eerste jaren waren niet makkelijk. De kolonisten kwamen tijdens het begin van een langdurige droogte aan op het vasteland van Amerika. “Het was interessant om erachter te komen wat er gebeurde in de kolonie toen zeventig tot tachtig procent van de kolonisten stierven”, vertelt Spero. “Dit was ‘CSI Jamestown’.”

Brieven van kolonisten naar Groot-Brittannië gingen vooral over de aanhoudende droogte. Boomringen en de nu gevonden oesters bevestigen de inhoud van de brieven. “Mensen en wetenschap leveren samen een consistent verhaal op”, vertelt archeoloog William M. Kelso van het Preservation Virginia’s Jamestown Rediscovery project. “Dat is fantastisch!”

Afvalput
De oesterschelpen zijn op een afstand van ruim negentig meter van de rivier gevonden. De schelpen zijn aanwezig in drie verschillende lagen van maximaal 3,5 meter diep. Het waterniveau van het water in de oorspronkelijke put was waarschijnlijk lager, namelijk vier meter. Spero en zijn collega’s denken dat de kolonisten afval in de put gooiden, toen ze Jamestown verlieten.

1611-1612
Mogelijk verzamelden en aten de kolonisten van Jamestown de oesters tussen de later herfst van 1611 en de zomer van 1612. Dat blijkt uit de patroon van isotoopvariaties in de schelpen van de weekdieren. Wetenschappers denken dat de droogte eind 1612 ophield.