Er blijken meerdere types hybride soorten te bestaan.

De Italiaanse mus ziet eruit als een doodgewone mus. Onderzoekers hebben echter ontdekt dat deze soort een kruising is tussen twee andere mussensoorten: de huismus and de Spaanse mus. Ongeveer 10.000 jaar geleden verspreidde de huismus zich over Europa en kwam in contact met de Spaanse mus. De kruisingen – of hybriden – paarden vooral onderling en raakten later geïsoleerd van hun oudersoorten. Uiteindelijk zou deze populatie kruisingen zich ontwikkelen tot de Italiaanse mus. De oorsprong van een hybride soort.

Drie criteria
Maar sommige wetenschappers zien de Italiaanse mus niet als een ‘echte’ hybride soort. In 2014, publiceerde Molly Schumer (Princeton University) met haar collega’s een artikel in het tijdschrift Evolution waarin zij stelden dat een hybride soort aan drie criteria moet voldoen. Ten eerste moet er duidelijk bewijs zijn voor hybridisatie. Ten tweede moet er een vorm van reproductieve isolatie zijn tussen de hybride soort en de oudersoorten. Met andere woorden, kruisingen tussen de hybride soort en oudersoort komen niet voor (bijvoorbeeld omdat ze elkaar niet aantrekkelijk vinden) of zijn onvruchtbaar. En tenslotte moet deze reproductieve isolatie een direct gevolg zijn van hybridisatie. Slechts een handvol hybride soorten voldoet aan deze drie criteria: een Zuid-Amerikaanse vlinder (Heliconius heurippa) en drie soorten zonnebloemen. De Italiaanse mus voldoet niet aan het derde criterium en is dus geen hybride soort.

Te strikt
Diverse wetenschappers vinden het derde criterium – reproductieve isolatie is een direct gevolg van hybridisatie – te strikt. Vorig jaar verscheen er in het tijdschrift Heredity een opiniestuk waarin enkele onderzoekers dit probleem aan de kaak stellen. Ze schreven dat de exclusieve focus op reproductieve isolatie de aandacht wegtrekt van andere aspecten van hybride soortvorming, zoals de rol van ecologie en de productie van nieuwe diversiteit.

Twee types hybride soorten
Recent trachtte evolutiebioloog Jente Ottenburghs (Uppsala Universiteit) beide kampen te verzoenen. Hij stelde voor om een onderscheid te maken tussen twee types hybride soorten: type I als reproductieve isolatie het gevolg is van hybridisatie en type II als dit niet het geval is. Vervolgens paste hij deze classificatie toe op diverse hybride vogelsoorten. Uit deze oefening blijkt dat de Italiaanse mus een type II hybride soort is. Reproductieve isolatie heeft zich namelijk ontwikkelt toen deze mus gescheiden leefde van zijn oudersoorten. Hetzelfde geldt voor de goudkruinmanakin en de Audubons zanger. Er is ook een type I hybride soort onder de vogels: een populatie kruisingen tussen de Españolagrondvink en Middelste grondvink op de Galapagos eilanden. Deze kruisingen hebben een andere snavelvorm in vergelijking met hun oudersoorten. Hierdoor klinken hun liedjes anders en herkennen de soorten elkaar niet meer. De afwijkende snavelvorm is een direct gevolg van de hybridisatie en dus voldoet deze populatie vinken aan het derde criterium. Daarnaast zijn er enkele hybride vogelsoorten waar nog geen uitsluitsel gegeven kan worden. Het betreft de Hawaii-eend, de roodhalsgans, en de kleine galapagosspotlijster.

Tenslotte merkt Ottenburghs op dat het debat over wat nu precies een hybride soort is vooral een semantische discussie is. Het hybride soortvormingsproces beter begrijpen is veel belangrijker. En vogels bieden een mooie kans om dit proces te bestuderen. De diverse hybride soorten zijn ontstaan op verschillende tijdstippen: van enkele generaties (de vinken op de Galapagos eilanden) over duizenden jaren (de Italiaanse mus) tot miljoenen jaren (roodhalsgans) geleden. Een heel spectrum aan hybride soorten is beschikbaar voor verder onderzoek.

Het publicatieproces
Je hebt misschien al gemerkt dat de schrijver van dit Scientias-artikel dezelfde is als de auteur van het wetenschappelijk paper over hybride soortvorming bij vogels. Hierdoor kan ik extra informatie geven over de ontstaansgeschiedenis van deze paper en zo een inkijk geven in het wetenschappelijke publicatieproces. Ik wilde al een tijdje een overzichtsartikel over hybride vogelsoorten schrijven. Ik zocht echter nog naar de juiste insteek tot ik op een dag de discussie over de precieze definitie van een hybride soort las. Misschien kon ik mijn steentje bijdragen in dit debat? Dus werkte ik mijn idee over type I en type II hybride soorten verder uit en stuurde het manuscript naar het tijdschrift Journal of Evolutionary Biology. Hier werd de tekst aan twee anonieme wetenschappers (zogenaamde reviewers) voorgelegd. Zij gaven gedetailleerd commentaar op mijn manuscript. Op basis van dit commentaar besliste de redacteur van het tijdschrift om mijn manuscript af te wijzen. Waarom? Het artikel was te sterk gericht op vogels en Journal of Evolutionary Biology wilde aan breder publiek aanspreken. Het manuscript werd vervolgens automatisch doorgestuurd naar het zuster-tijdschrift Ecology and Evolution. Diverse wetenschappelijke tijdschriften passen dit watervalsysteem toe: het manuscript wordt met het commentaar van de reviewers bij een gerelateerd tijdschrift voorgelegd. Dit systeem versnelt het publicatieproces aangezien wetenschappers niet opnieuw weken (of soms zelfs maanden) moeten wachten op het commentaar van de reviewers. Bij Ecology and Evolution werd mijn manuscript quasi meteen aanvaard. Na enkele kleine aanpassingen was het klaar voor publicatie!

Jente Ottenburghs promoveerde aan de Universiteit Wageningen waar hij onderzoek deed naar de evolutie van ganzen. Na een stage bij de wetenschapsredactie van de Volkskrant werkt hij nu als postdoc aan de Uppsala Universiteit in Zweden. Meer weten over Jente? Neem een kijkje op zijn website. Recent kon je in een artikel van de hand van Jente al lezen hoe een genoom in kaart wordt gebracht. Nieuwsgierig? Klik hier! En hier kun je lezen hoe de genetische code precies werkt.