Vaak wordt gedacht dat de jagers en verzamelaars het niet zo hadden op bestuurslagen en daarbij behorende onderhandelingen. Maar een archeologische vindplaats in Louisiana vertelt een ander verhaal.

De indianen die meer dan 3000 jaar geleden het noorden van de Amerikaanse staat Louisiana bewoonden, werden beschouwd als eenvoudige jagers-verzamelaars. Het zouden nomaden zijn geweest die in kleine groepen rondtrokken en naar voedsel zochten. Maar opnieuw onder de loep genomen archeologische vondsten schetsen een verrassend ander beeld van de eerste beschaving in Amerika.

Aardwerken
In Louisiana vinden we Poverty Point, een indrukwekkende archeologische vindplaats die bestaat uit een geheel van prehistorische aardwerken. Wetenschappers verbazen zich erover hoe goed deze monumentale aardwerken de tand des tijds hebben weten te doorstaan. “Een van de meest opmerkelijke dingen is dat deze grondwerken al meer dan 3000 jaar bestaan,” vertelt onderzoeker Tristram Kidder. “En dat zonder spoor van erosie of tekenen van verzakking. Ter vergelijking: moderne bruggen, snelwegen en dammen falen met verbazingwekkende regelmaat omdat het aanzienlijk ingewikkelder is om dergelijke constructies te bouwen dan je zou denken.”

Meer over Poverty Point
Poverty Point – dat sinds 2014 op de Unesco-Werelderfgoedlijst staat – bestaat uit enorme, meters hoge heuvels en concentrische half-elliptische heuvelruggen die zich over een gebied van zo’n drie vierkante kilometer uitstrekken. Deze aanpassingen aan het landschap werden ongeveer 3.400 jaar geleden door jagers en verzamelaars verricht. Verbazingwekkend genoeg werd dit gedaan zonder de luxe van moderne gereedschappen, gedomesticeerde dieren of zelfs karren op wielen. Poverty Point was waarschijnlijk een belangrijke religieuze plaats waar inheemse Amerikanen op bedevaart kwamen, vergelijkbaar met het hedendaagse Mekka. De plaats werd tussen 3.000-3.200 jaar geleden abrupt verlaten – hoogstwaarschijnlijk als gevolg van overstromingen in de Mississippi-vallei en klimaatverandering.

In een nieuwe studie namen de onderzoekers de imposante aardewerken met behulp van verscheidende onderzoeksmethoden grondig onder de loep. En dat leidt tot een interessante conclusie. Het onderzoeksteam veronderstelt dat de grondwerken verrassend snel tot stand zijn gekomen. Zo denken ze dat de indianen ze in een kwestie van maanden of misschien zelfs weken uit de grond stampten. De onderzoekers ontdekten namelijk geen tekenen van verwering, wat wel het geval zou zijn geweest als de bouwers ook maar een korte pauze hadden ingelast.

Politiek
Volgens Kidder dagen deze bevindingen eerdere opvattingen over hoe premoderne jagers en verzamelaars zich gedroegen, uit. Voor de bouw van de enorme aardwerken bij Poverty Point zouden namelijk bijzonder veel mensen nodig zijn geweest, die goed georganiseerd te werk moeten zijn gegaan. Bovendien was voor de uitvoering ervan goed leiderschap nodig. Het betekent dat de indianen toch een soort politiek systeem moeten hebben gekend. En dat terwijl gedacht werd dat de jagers en verzamelaars het niet zo hadden op bestuurslagen en daarbij behorende onderhandelingen.

“De snelheid van het graven, de bouw en de enorme hoeveelheid grond die werd verplaatst, verraden dat de inheemse bevolking naar de locatie kwam en samenwerkte,” zegt Kidder. “Dit is op zich al opmerkelijk, omdat men veronderstelde dat jagers-verzamelaars daar niet zo van waren.”

Ingenieurs
Nadat de onderzoekers de de aardwerken nog eens goed bestudeerd hebben, kunnen ze eigenlijk maar één conclusie trekken. En dat is dat de bouwers zeer bekwame ingenieurs moeten zijn geweest. Verre van de eenvoud van het leven dat soms in antropologische boeken wordt geschetst, was de inheemse bevolking beduidend intelligenter. Zo beschikten ze over een indrukwekkend vermogen om bijzonder stevige aardwerken te bouwen die na duizenden jaren nog steeds intact zijn. Vanwege de nabijheid van de Golf van Mexico krijgt Poverty Point bovendien regelmatig te maken met enorme hoeveelheden regen, waardoor grondwerken bijzonder gevoelig zijn voor erosie. Toch blijken de aarden constructies zich kranig stand te houden, wat getuigt van het uitzonderlijke bouwvermogen van de indianen. “Het waren echt ongelofelijke ingenieurs met zeer geavanceerde technische kennis,” benadrukt Kidder.

Microscopische analyse van de bodem toont aan dat de indianen verschillende soorten grond – klei, slib en zand – in een berekend recept mengden om de structuren sterker te maken. “Vergelijkbaar met Romeins beton of geramde aarde in China, ontdekten de indianen geavanceerde manieren om verschillende soorten materialen te mengen om constructies vrijwel onverwoestbaar te maken,” aldus Kidder. “Er zit iets magisch in dat moderne ingenieurs nog niet hebben weten te ontraadselen.”