De eerste grote sterrenstelsels in het heelal ontstonden toen het heelal 250 tot 750 miljoen jaar oud was, oftewel ruim 13 miljard jaar geleden. Dit is eerder dan verwacht.

Wetenschappers maakten gebruik van gegevens van de South Pole-telescoop om inzage te krijgen in het zogenoemde reïonisatietijdperk. In deze periode ontstonden massieve sterren in gigantische gaswolken. Het krachtige licht van sterren zorgden ervoor dat dat waterstofgas in en rondom sterrenstelsels werden geïoniseerd. Het resultaat: gigantische ionisatiebellen die vandaag de dag nog te zien zijn in de kosmische achtergrondstraling.

Kosmische achtergrondstraling

De kosmische achtergrondstraling is de warmtestraling die is uitgezonden tijdens de oerknal. Door deze straling in kaart te brengen krijgen wetenschappers een goed beeld van hoe het heelal er kort na de oerknal uit zag.

“De gegevens vertellen dat het reïonisatietijdperk minder dan 500 miljoen jaar duurde en startte toen het heelal minimaal 250 miljoen jaar oud was”, vertelt onderzoeker Oliver Zahn van de universiteit van Californië. “Onderzoekers dachten altijd dat het reïonisatietijdperk minimaal 750 miljoen jaar duurde. Daarnaast wisten ze niet wanneer dit tijdperk begon.”

Tegen het einde van het reïonisatietijdperk (oftewel: 750 miljoen jaar na de oerknal) waren er dus talrijke massieve sterrenstelsels in het heelal te vinden.

De volgende stap is om de duur van het reïonisatietijdperk nog nauwkeuriger vast te stellen. “We verwachten dat we dit tot op 50 miljoen jaar nauwkeurig kunnen bepalen in ons volgende onderzoek”, vertelt Christian Reichardt van de universiteit van Chicago. “En naar de toekomst toe natuurlijk nog nauwkeuriger!”