Meer dan een miljoen mensen zoeken hun heil in het neutrale Nederland. En de overheid worstelt daar vier jaar lang mee.

Het is 28 juli 1914 en de Eerste Wereldoorlog breekt uit. Twee dagen later verklaart Nederland zich neutraal. Hierdoor zijn de grote verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog ons bespaard gebleven. Maar al snel kregen we een heel ander probleem voor onze kiezen: vluchtelingen en militairen die vanuit de ons omringend oorlogvoerende landen hun heil zoeken in wat op dat moment één van de weinige vredige landen in Europa is.

Vluchtelingenstroom
Ook België verklaart zich aan het begin van de Eerste Wereldoorlog neutraal, maar die situatie blijkt al snel onhoudbaar. Duitsland wil namelijk graag over Belgisch grondgebied naar Frankrijk reizen om daar de strijd aan te gaan met de Fransen. En dat kan niet als België neutraal is. “Er waren internationaal een aantal regels opgesteld over neutraliteit,” vertelt historicus Samuël Kruizinga, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. “En één daarvan was dat je als neutraal land niet toe mocht staan dat oorlogvoerende landen gebruik maakten van jouw grondgebied.” De Belgen weten – hier en daar geholpen door de Britten – de Duitsers nog enige tijd tegen te houden, maar ze verliezen terrein. Tienduizenden Belgen steken de grens met Nederland over. Maar de vluchtelingenstroom zwelt pas echt aan in oktober 1914, wanneer de Duitsers Antwerpen innemen. Op dat moment krijgt Nederland te maken met de grootste vluchtelingenstroom in de recente geschiedenis. Ongeveer één miljoen Belgen ontvluchten het oorlogsgeweld door de Nederlandse grens over te steken. Het zijn duizelingwekkende cijfers. Zeker als je bedenkt dat Nederland in die tijd ‘slechts’ 6 miljoen inwoners telde. “Het is de eerste grote vluchtelingencrisis waar ons land mee te maken krijgt.”

Vluchtelingenkampen
De vluchtelingenstroom overvalt de overheid duidelijk. En de vluchtelingen moeten het in eerste instantie dan ook vooral van de lokale bevolking hebben die de vluchtelingen met open armen en hart ontvangt, zo blijkt ook wel uit onderstaand krantenfragment, afkomstig uit De Tijd (8 oktober 1914):

“Aan het station (van Roosendaal, red.) is van visiteeren geen sprake meer. De golf is niet te houden. En als zij buiten komen, vinden al die vluchtelingen goede menschen en kranige Hollandsche soldaten, die de bundeltjes overnemen, kinderen op hun nek zetten en zoo met de arme vluchtelingen de stad intreden. Sommige vrouwen zakken suf in een hoek neer, man en jongens vermoedelijk dood en de kleine kinderen kwijt… Ze zitten dan neer in een onverschilligheid, die eindelijk is gekomen na zoovele ellende. Ze denken niet meer, ze weenen niet meer, verlangen nu maar te sterven. Doch dan komen weer liefdevolle menschen haar opbeuren. Ze spreken woorden van troost, geven wat brood en een kop melk en nemen haar mee naar huis, waar de slumperds weer op haar verhaal kunnen komen.”

In een paar dagen tijd neemt het inwoneraantal van het hierboven beschreven Roosendaal enorm toe: de 16.700 inwoners vangen zo’n 50.000 vluchtelingen op. In andere steden in het grensgebied is dat niet anders. Het leidt al snel tot problemen, want al die monden moeten gevoed worden en het aantal vluchtelingen neemt alleen maar toe. Kort na de bezetting van Antwerpen – als de rust in de Belgische stad is weergekeerd – beginnen de Nederlandse overheden de vluchtelingen dan ook aan te moedigen om terug te keren. En met succes: velen gaan weer naar huis. “Zo’n 150.000 Belgen blijven uiteindelijk tot het einde van de oorlog in Nederland,” vertelt Kruizinga. Een klein deel ervan wordt opgevangen in allerijl opgerichte vluchtelingenkampen. “Maar het grootste deel weet zelf onderdak te regelen, bij familie of in een hotel, bijvoorbeeld.”

Een tekening van Belgische burgers op de vlucht, gemaakt door Leo Gestel. Hij maakte er ruim 100 en verkocht ze ten bate van de vluchtelingenopvang. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Grenscontrole
Gedurende de rest van de oorlog bleven er echter regelmatig vluchtelingen naar Nederland komen en de overheid blijft daarmee worstelen. “De Eerste Wereldoorlog was ook het moment dat de Nederlandse overheid voor het eerst ging nadenken over echte grenscontroles. Die waren er namelijk niet; vreemdelingen waren altijd goed geweest voor de handel.” Maar met de grote vluchtelingenstroom lag dat anders. Het kwam allemaal nog gevoeliger te liggen toen in 1917 de Russische Revolutie uitbrak. “Toen ontstond het idee dat er onder die vluchtelingen ook wel eens nare communisten konden zitten.”

Militairen
Maar de vluchtelingen waren lang niet de enige zorg die de regering had. Naast de burgervluchtelingen wisten namelijk ook heel wat militairen de weg naar ons land te vinden. “Zo vluchtten er Belgische en Britse militairen naar Nederland toen Antwerpen in oktober 1914 viel.” Maar ook uit andere oorlogvoerende landen kwamen militairen – soms tegen wil en dank – op Nederlands grond gebied terecht. “Denk aan deserteurs, Russische krijgsgevangenen die ontsnapt waren aan de Duitsers, vliegeniers die waren neergestort,” somt Kruizinga op. Als neutraal land konden we niet toestaan dat die militairen uit oorlogvoerende landen hier vrij rondliepen en dus werden er interneringskampen opgericht. Daar verbleven deze militairen tot het einde van de oorlog.

Om te voorkomen dat Duitse deserteurs naar Nederland konden vluchten, zetten de Duitsers een 332 kilometer lange draadversperring op de grens tussen België en Nederland. De versperring stond onder dodelijke elektrische spanning en kostte naar schatting honderden levens. Ook kwam het regelmatig voor dat kleine dieren er door gedood werden. Afbeelding: Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad Photo / Het Leven / Fotograaf onbekend (via Wikimedia Commons).

Uiteindelijk werden zo naar schatting 30.000 militairen van allerlei nationaliteiten geïnterneerd. Kampen waren te vinden in onder meer Zeist, Alkmaar, Urk, Veenhuizen en Assen. De omstandigheden verschilden sterk van kamp tot kamp: in het ene kamp genoten militairen meer vrijheden dan in het andere. Maar voor alle kampen gold dat de verveling er vroeg of laat toesloeg. “En dus moest er iets verzonnen worden. In Groningen werd bijvoorbeeld een Nederlandse cricketcompetitie opgezet. De eerste drie plaatsen werden ingenomen door Britse geïnterneerden. En voor de Belgen werden wielrenwedstrijden georganiseerd.” Ook werden er cursussen aangeboden. Later werd het voor sommige militairen ook mogelijk om buiten het kamp te gaan werken en zelfs wat geld te verdienen. Maar hun vrijheid bleef natuurlijk beperkt en de omstandigheden in de kampen waren soms ronduit erbarmelijk; er staken regelmatig epidemieën de kop op, de hygiëne was slecht en er was lang niet altijd genoeg voedsel voorhanden.

Ondertussen blijven vele Nederlandse burgers zich inzetten voor zowel de vluchtelingen als de militairen. Ze worden daarbij ongetwijfeld aangemoedigd door de tragische verhalen die de vluchtelingen en militairen meebrengen. Hun aanwezigheid brengt de oorlog in zekere zin dichterbij dan ooit en zal velen hebben doen beseffen dat deze soms lastige ‘opvang in de regio’ een zegen was in vergelijking met wat er aan het west- en oostfront gebeurde.

Wil je meer lezen over de Eerste Wereldoorlog? Eerder verscheen op Scientias.nl al een serie boeiende artikelen over de Grote Oorlog. Zo kon je eerder lezen hoe de Eerste Wereldoorlog Nederland voorgoed veranderde en hoe neutraal Nederland werkelijk was tussen 1914 en 1918. En wist je dat ons land in diezelfde periode een heus spionageparadijs was? Ook doken we eerder in de schrijnende verhalen achter shell shock: een gloednieuwe psychiatrische aandoening die in de Eerste Wereldoorlog ontstaat en waar de psychiatrie maar niet mee uit de voeten kan.