t. rex

In 2005 ontdekte een paleontoloog zachte weefsels tussen de fossiele resten van een Tyrannosaurus rex. Hoewel onderzoek aantoonde dat de weefsels inderdaad van een T. rex waren, was de wetenschappelijke wereld verdeeld: hoe konden zachte weefsels nu tientallen miljoenen jaren bewaard zijn gebleven? Een nieuw onderzoek toont nu aan dat het alles te maken heeft met hemoglobine: een ijzerhoudend eiwit in het bloed.

“IJzer hebben we nodig om te overleven, maar het is ook bijzonder reactief en kan vernietigende effecten hebben in levende weefsels,” vertelt paleontoloog Mary Schweitzer. “Daarom beschikken onze lichamen over eiwitten die ijzermoleculen transporteren naar plekken waar ze nodig zijn, maar die ons tegelijkertijd beschermen tegen ongewenste reacties. Wanneer we sterven, verdwijnt dat beschermende mechanisme en kan het ijzer losgaan op onze weefsels. En op dat moment werkt het net zo als het conserveermiddel formaldehyde: het roept reacties op die ervoor zorgen dat weefsels en eiwitten veel langer dan men zou verwachten goed blijven.

We weten dat vogels en krokodillen – relatief nauw verwant aan de dinosaurus – meer ijzer in hun cellen hebben zitten dan zoogdieren. Ervan uitgaande dat ook dinosaurussen veel ijzer in hun cellen hadden zitten, moet het effect ervan ook sterker zijn geweest. Een experiment met cellen en bloedvaten van een struisvogel onderschrijft dat. De onderzoekers doopten een aantal bloedvaten onder in hemoglobine afkomstig uit rode bloedcellen. Andere bloedvaten werden in water gedoopt. Twee jaar later waren de bloedvaten die met ijzer behandeld waren nog geheel intact, terwijl de bloedvaten in water na minder dan een week al vergaan waren.

“We weten dat ijzer altijd in grote hoeveelheden aanwezig is wanneer we goed bewaarde fossiele resten vinden,” legt Schweitzer uit. “En we hebben vasculair weefsel op de botten van deze dieren ontdekt en dat moet nadat ze dood gingen een omgeving zijn geweest waarin veel hemoglobine voorkwam. We weten ook dat ijzer bijna elke techniek die we hebben om eiwitten op te sporen, hindert. Dus ijzer lijkt enerzijds een mechanisme te zijn dat weefsels intact houdt, maar is tegelijkertijd de reden waarom we moeite hebben om intacte eiwitten te vinden en analyseren.”