Mensen met een allergie voor appels hebben nu helemaal geen excuus meer om het fruit links te laten liggen. Wetenschappers hebben ontdekt dat ook Elise-appels geen allergische reactie oproepen en dus veilig kunnen worden gegeten.

Het is niet voor het eerst dat onderzoekers met een veilige appel komen. De Santana-appel kan ook door mensen met een appelallergie genuttigd worden. Het was lang de enige veilige appel, maar daar kan de Elise nu aan toegevoegd worden.

Houdbaarheid
En dat is goed nieuws. Santana-appels zijn namelijk niet zo heel lang in de koelkast houdbaar. Daardoor is de appel maar tot half januari te koop. De Elise-appel is een stuk langer houdbaar en maakt het voor mensen met een appelallergie mogelijk om van oktober tot juni hypoallergene appels te eten. Ook biedt de Elise-appel wat afwisseling: de Santana-appel is er maar in één smaak.

Zoet
De Elise-appel is zoet en stevig. In principe zijn de appels tot juni verkrijgbaar, maar omdat het een relatief nieuw ras is, is de appel dit jaar waarschijnlijk lastig te verkrijgen. Dat moet in de toekomst veranderen.

WIST U DAT…

…voedselallergieën veel vaker voorkomen bij eerstgeborenen?

Appelallergie
In Nederland hebben zo’n 300.000 mensen last van een appelallergie. De eiwitten in appels veroorzaken jeuk, irritatie van de lippen, neus, ogen, tong en keel. De Santana-appels zijn al enige tijd een goed alternatief. Ze worden onder gecontroleerde omstandigheden geteeld en getransporteerd. De appels zitten in een speciale verpakking met bijsluiter. Mensen met een appelallergie wordt in deze bijsluiter aangeraden om het eten van appels rustig op te bouwen om een allergische reactie te voorkomen.

Rustig beginnen
Overigens is onduidelijk of alle mensen die de Santana-appel zonder problemen kunnen eten, ook zonder meer de Elise-appel kunnen nuttigen. Daarom is het verstandig om rustig te beginnen met het eten van de appel.

De volledige studie is terug te vinden in het blad Allergy. Aan het onderzoek naar de Elise-appel werd onder meer meegewerkt door het Universitair Medische Centrum Groningen en de Wageningen UR. De studie werd mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van het Nederlandse ministerie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Ook de EU heeft een bijdrage geleverd.