Wanneer wij aan buitenaards leven denken, zien we vaak zo’n snoezige ET met groene grijphandjes en grote flaporen voor ons. Dat is wellicht onterecht, zo meent astronoom Seth Shostak. Hij pleit in het blad Acta Astronautica voor een zoektocht naar buitenaardse kunstmatige intelligentie: machines dus in plaats van biologisch leven.

Veel experts die nauw betrokken zijn bij de zoektocht naar buitenaards leven gaan ervan uit dat de natuur door middel van verschillende ontwerpen en chemicaliën leven creëert. Dat suggereert dat aliens er niet alleen heel anders uitzien dan wij mensen, maar ook nog eens heel anders ‘werken’. Men nam hierbij echter wel aan dat aliens in leven waren, zoals ook wij mensen leven.

Evolutie
Dat heeft geleid tot een zoektocht die beperkt blijft tot de biochemie: aliens leven voor een bepaalde tijd, planten zich voort en sterven. Daarbij evolueren ze ook nog eens. Maar Shostak denkt dat die evolutie hier ergens ver vandaan veel sneller gaat dan op aarde. De technologie zou wel eens zover kunnen zijn dat het de eigen soort overtreft of zelfs vervangt. Vanuit die gedachtegang zou het logischer zijn om te zoeken naar machines in plaats van naar de levende wezens die deze ooit (wie weet hoelang geleden) hebben uitgevonden.

Beweging
Wetenschapper John Elliott zocht jarenlang naar aliens en kan zich vinden in de redenering van Shostak. “We hebben nu vijftig jaar naar signalen gezocht,” legt hij uit. “(…) En wij realiseren ons dat onze technologie vooruitgaat en dat ook andere beschavingen – als die er zijn – zich wellicht zo ontwikkeld hebben. Waar wij naar op zoek zijn, is zeker een evolutionair bewegend doelwit.”

Energie
Zowel Shostak als Elliott vermoeden dat het ontcijferen van een bericht van een kunstmatige intelligentie lastiger is dan de biologische tegenhanger. Maar het kan geen kwaad om toch eens op zoek te gaan. Shostak denkt wel te weten waar deze machines – als ze bestaan – zich ophouden. Op plaatsen met veel materie en energie, want daar hebben deze behoefte aan. Men moet dan ook zoeken op warme, jonge sterren of misschien zelfs in de centra van sterrenstelsels.

“Ik denk dat we in ieder geval een paar procent van onze tijd moeten besteden om te kijken in richtingen die niet zo aantrekkelijk zijn voor biologische intelligentie, maar waar de machines het wel uit kunnen houden,” concludeert Shostak.