De kans dat een onderzoeker op zijn 25e een grootse ontdekking doet, is – zolang hij productief blijft – net zo groot als de kans dat hij dat op zijn 70e doet.

Tot die verrassende ontdekking komen onderzoekers in het blad Science. De onderzoekers bestudeerden de publicaties van meer dan 10.000 wetenschappers in zeven verschillende onderzoeksgebieden: van natuur- tot scheikunde en van economie tot cognitieve wetenschappen. Alle bestudeerde onderzoekers waren al minstens twintig jaar actief in de wetenschap.

Drie factoren
De onderzoekers richtten zich in hun studie op drie factoren die van invloed kunnen zijn op het succes van een onderzoeker: geluk, productiviteit en impact. Geluk vloeit daarbij voort uit doorzettingsvermogen: opnieuw en opnieuw proberen. “Denk aan het kopen van een lot of het werpen van een dobbelsteen,” legt onderzoeker Roberta Sinatra uit. “Hoe vaker je het probeert, hoe beter je kansen zijn.” Om de productiviteit van de onderzoekers vast te stellen, keken Sinatra en collega’s hoeveel papers elke onderzoeker had gepubliceerd. De impact van elk paper leidden ze vervolgens af uit het aantal malen dat het paper in andere studies geciteerd werd. Hoe vaker een paper geciteerd wordt, hoe groter de impact.

Goed nieuws

Dat de onderzoeker op elk moment in zijn carrière een even grote kans heeft om tot een doorbraak te komen – en dat dus niet alleen voor jonge onderzoekers is weggelegd – is goed nieuws, volgens de onderzoekers. “Niet de timing van een ontdekking, maar het feit dat die ontdekking is gedaan, beïnvloedt toekomstige generaties,” concludeert onderzoeker Albert-László Barabási. Onderzoeker Kim Albrecht voegt toe: “Begrijpen dat goede onderzoekers wanneer ze de middelen hebben om productief te blijven, grote ontdekkingen kunnen genereren, ongeacht hoe oud ze zijn, is heel belangrijk wanneer we nadenken over hoe we de wetenschap een boost kunnen geven.”

Timing
De onderzoekers ordenden vervolgens alle papers van elke onderzochte onderzoeker. Ze legden de papers hierbij in chronologische volgorde. Daarna gingen ze voor elke onderzoeker na op welk moment in zijn/haar carrière het paper met de grootste impact was verschenen. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste onderzoekers hun paper met de grootste impact publiceerden in hun jonge jaren. Maar dat had niets te maken met het feit dat ze nog jong waren, maar met het feit dat ze in die jaren het meest productief waren. En omdat ze productief waren, was de kans dat ze op een grote ontdekking stuitten, groter, zo stellen de onderzoekers. Dus negeerden ze even de timing van het paper met de meeste impact en keken alleen naar de positie die dit paper in de complete serie papers van een onderzoeker innam. En wat bleek? De kans dat dit paper het eerste paper van de onderzoeker was, was net zo groot als de kans dat het het middelste of laatste paper van de onderzoeker was. De onderzoekers noemen dat de ‘Random Impact Rule’.

P en Q
Maar een wetenschappelijke carrière – en het succes daarin – is natuurlijk niet helemaal ‘random’ oftewel het resultaat van toevalligheden. De vaardigheden en kennis van een onderzoeker doen er ook toe. Om het effect dat geluk, productiviteit en vaardigheden van een onderzoeker op zijn/haar succes hebben, te achterhalen, ontwikkelden de wetenschappers een model. Het resulteerde in deze vergelijking: C = p x Q. C staat hierbij voor de impact van een individuele publicatie. P staat voor geluk. En Q voor de vaardigheden van de onderzoeker. Onderzoekers met een hoge Q waren niet alleen heel productief geweest, maar hadden ook papers gepubliceerd die vaak geciteerd werden. Wetenschappers met een lage Q waren misschien wel productief geweest, maar hun papers waren maar weinig geciteerd. “De Q-factor is een combinatie van vaardigheden, opleiding en kennis,” stelt onderzoeker Albert-László Barabási. “Het draait om hoe goed een wetenschapper in staat is om een idee te kiezen en om te zetten in een ontdekking.” De factor Q is gedurende het werkzame leven van een onderzoeker stabiel, maar de factor p fluctueert. En grootse ontdekkingen blijken dus het resultaat te zijn van geluk en vaardigheden (p en Q).

Voorspellen
Samenvattend: een onderzoeker kan dus op elke leeftijd tot grootse inzichten komen. Maar dat wil niet zeggen dat elke wetenschapper op een moment in zijn of haar carrière ook daadwerkelijk tot een baanbrekende ontdekking komt. Want het is een kwestie van geluk én de Q-factor. Omdat ook de Q-factor – die stabiel is – een rol speelt, mogen we echter wel bepaalde verwachtingen van een onderzoeker hebben. “Een hoge Q gecombineerd met continue inspanningen kan voorspellen wat er gaat gebeuren,” stelt Sinatra. “We kunnen niet voorspellen wanneer iemand een grootse ontdekking doet, maar door Q – een stabiele factor – te bestuderen, kunnen we voorspellen dat er in de toekomst een grootse ontdekking komt.”

De onderzoekers benadrukken dat hun studie draait om het succes en niet om de prestaties van een wetenschapper. Het draait immers om impact, oftewel de mate waarin de wetenschappelijke gemeenschap het werk van een onderzoeker omarmt. En dat is niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van het onderzoek, maar kan ook afhankelijk zijn van het geslacht van de onderzoeker en de universiteit waaraan deze werkzaam is. “Met dit onderzoek hebben we geluk en impact van elkaar gescheiden,” stelt Sinatra. “Nu moeten we beter gaan begrijpen wat Q veroorzaakt, zodat we vooroordelen en ongelijkheden als het gaat om de wijze waarop het werk van een onderzoeker wordt ontvangen, beter gaan begrijpen.”