BIOLOGIE  Heeft u iemand wel eens horen beweren dat hij Afrikaans-Amerikaans is? Vraag dat dan nog maar eens goed na. Uit genetisch onderzoek blijkt dat sommige Afrikaanse Amerikanen maar voor één procent Afrikaans of Amerikaans zijn. De fifty-fifty-theorie gaat dan ook niet op; de genen maken het een stuk ingewikkelder.

Een onderzoeksteam analyseerde het DNA van 365 Afrikaanse Amerikanen, 203 West-Afrikanen en 400 Europeanen. Uit de analyses bleek dat de genetische verschillen tussen Afrikanen en Afrikaanse Amerikanen groter zijn dan werd aangenomen. Historische, culturele en taalgebonden factoren blijken van invloed te zijn.

De data leidden tot een aantal interessante conclusies. Zo bleek het verschil tussen de ene Afrikaanse Amerikaan en de andere heel groot te zijn. Sommigen droegen nog één procent van hun afkomst mee. Anderen 99 procent.
Het X-chromosoom is bij Afrikaanse Amerikanen voornamelijk afkomstig van de Afrikaanse voorouder. Dat komt overeen met het genpatroon waarbij de moeder in de meeste gevallen uit een Afrikaans voorgeslacht kwam en vaders Afrikaanse of Europese voorouders hadden.
De onderzoekers zijn erin geslaagd om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen mensen die een Afrikaans of Europees voorgeslacht hebben. Dit kan helpen om mensen persoonlijke medicatie voor te schrijven en genetische ziektes beter te bestrijden.

Afrika is een enorm continent met enorm veel verschillende mensen. De grote lijnen waren lang geleden al gedefinieerd, maar de verschillen op kleinere schaal zijn nu ook in kaart gebracht. “De grootste variatie onder Afrikaanse Amerikanen is de grootte van het aandeel van Europese voorouders, dat heeft grote gevolgen voor het ontwikkelen van persoonlijke medische behandelingen,” legt onderzoeker Tishkoff uit. Ook al komen Afrikaanse Amerikanen soms uit het noorden of het westen: dat maakt voor het Afrikaanse deel van de genen opvallend genoeg niet uit.