Nieuw onderzoek wijst erop dat de ‘buitengewone levensvorm’ die NASA vond helemaal niet zo buitengewoon was.

In december 2010 presenteerde NASA met veel bombarie opmerkelijke onderzoeksresultaten. De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie had in het giftige Monomeer een bacterie gevonden die fosfor – een onmisbaar ingrediënt voor leven – door een andere stof kon vervangen. “Het organisme kan fosfor – de ruggengraat van DNA – vervangen door arsenicum,” zo vertelde onderzoeker Felisa Wolfe-Simon tijdens een persconferentie op de valreep van 2010. Conclusie: het leven is dus flexibeler dan gedacht. En dus kan buitenaards leven ook wel eens op veel meer plekken en veel overvloediger voorkomen dan gedacht.

Kritiek
Binnen enkele dagen werd de ontdekking al flink in twijfel getrokken door wetenschappers. En in mei volgde nog meer kritiek. Het onderzoek zou slordig zijn uitgevoerd en de resultaten zouden daardoor niet overtuigend zijn. In reactie op die kritiek gaf NASA de bacterie en zoveel mogelijk gegevens vrij zodat onderzoekers de experimenten konden herhalen. Rosie Redfield was één van de criticasters die daarop met de bacterie aan de slag ging. En deze week publiceerde ze een artikel waarin ze het werk van NASA hard onderuit haalt.

Simuleren
Redfield en haar collega’s hebben de bacterie grondig bestudeerd en gepoogd het experiment van Wolfe-Simon te simuleren. Dat is gelukt, alleen levert het hele andere resultaten op.

Klopt het niet?
Volgens Wolfe-Simon en haar collega’s zou de bacterie arsenicum eten wanneer er weinig fosfor voorhanden is. En het kon fosfor in DNA vervolgens ook nog eens vervangen door arsenicum. Maar die conclusies kan Redfield niet trekken. “Wij hebben ontdekt dat arsenicum wanneer er weinig fosfor is niet nodig is voor de groei van GFAJ-1 (de bacterie, red.),” zo is in hun paper te lezen. Ook vonden de onderzoekers in het DNA van de bacterie geen arsenicum terug.

Komt hiermee dan een einde aan een spannende wetenschappelijke ontdekking? Nog niet. Redfield heeft haar paper vrijgegeven zodat andere onderzoekers erop kunnen reageren. Mogelijk vinden andere onderzoekers nog wat oneffenheden in Redfields onderzoek en blijft het werk van Wolfe-Simon toch nog even overeind.