De meeste dove kinderen die voor hun tweede jaar een cochleair implantaat kregen, spreken vijf jaar later net zo goed als hun leeftijdsgenoten. Dit concluderen promovendi van de Universiteit Leiden. Zij onderzochten de taalontwikkeling van kinderen met een implantaat.

Een cochleair implantaat omzeilt de slecht functionerende delen van het oor en stimuleert rechtstreeks de gehoorzenuw. Door dit apparaatje kunnen de meeste doven en ernstig slechthorenden opnieuw geluid, en dus ook spraak, waarnemen. Voor doven en ernstig slechthorenden is dit een grote verbetering ten opzichte van klassieke hoortoestellen, die het geluid alleen versterken.

Tegenwoordig kunnen kinderen op jonge leeftijd gescreend worden of ze slechthorend zijn of niet. Steeds jongere kinderen krijgen cochleaire implantaten ingebouwd. Annemie Verbist en Annemiek Hammer van de Universiteit Leiden volgden vijf jaar lang vijftig dove kinderen die op zeer jonge leeftijd hun implantaat kregen. De taalontwikkeling van deze kinderen werd vergeleken met die van kinderen met een klassiek gehoorapparaat en met een taalontwikkelingsstoornis.

Het onderzoek liet zien dat dove kinderen dankzij hun cochleair implantaat op zevenjarige leeftijd evenveel voornaamwoorden (ik, jij, hij etc.) en evenveel vervoegde werkwoorden (loopt, fietst etc.) produceren als hun horende leeftijdgenootjes.

Verbist toonde aan dat kinderen die voor hun tweede levensjaar hun implantaat ontvangen eerder het taalniveau bereiken van hun normaal horende leeftijdsgenootjes. Hammer liet daarnaast zien dat op zes- en zevenjarige leeftijd de productie van vervoegde werkwoorden voor kinderen met een cochleair implantaat hoger is dan bij kinderen met een klassiek hoortoestel en kinderen met niet gehoorgerelateerde taalontwikkelingsstoornis.